Ik heb de regie over mijn leven terug!
oktober 14, 2009
In de biografie Straatwaarde beschrijft Esther haar hectische leven als heroïneprostituee en de zware weg eruit.
Zestien jaar lang was Esther (45) verslaafd aan harddrugs. Om de drugs voor haarzelf, maar ook voor haar verslaafde vriend te kunnen betalen, tippelde ze op de beruchte ‘Baan’ (Europalaan) in Utrecht. Maar ze heeft zich een weg omhoog weten te worstelen naar een bestaan zonder verdovende middelen, en is inmiddels elf jaar clean.
Met een politieman uit die roerige periode heeft ze nog altijd contact. Op een dag vroeg hij haar: “Waarom zet je jouw verhaal niet op papier?” “Ik? Dan ben ik de zoveelste bejaarde junk die de wijsheid in pacht denkt te hebben. Nee, zo zit ik niet in elkaar.” Waarop hij antwoordde: “Maar je kunt het ook zien als een stukje voorlichting, bijvoorbeeld voor jongeren. Ik ken trouwens een schrijver, Bert Muns. Misschien kunnen jullie samen iets doen.”
“En zo kwam ik in die achtbaan,” vertelt Esther. “Muns werd mijn ghostwriter. Het schrijven van ‘Straatwaarde’ gebeurde in veertien intensieve maanden van bloed, zweet en tranen. Gesprekken, herinneringen ophalen, flashbacks, teksten lezen en bijwerken, zoeken naar de juiste interpretaties. Het was niet altijd makkelijk. Maar in april kwam het boek uit en binnenkort verschijnt de tweede druk. Mede door de positieve reacties geeft het me nu meer rust en zelfvertrouwen. Dat doet me goed. Maar dat gevoel heb ik eigenlijk pas sinds een paar weken.”
“Schaamte, dat leeft in mij. Dat is nog een stukje prostituee. Maar soms schaam ik me ook niet. Want mijn verleden hoort bij mijn leven en heeft mij gemaakt zoals ik nu ben. Mensen denken of zeggen: “Lekker makkelijk om drugs te gebruiken en de hoer te spelen. Het zijn allemaal nietsnutten. Als je zo met je lichaam omgaat is het je eigen schuld als je verkracht en geslagen wordt.” En dat vind ik heel vervelend om te horen. Waardeoordelen drukken anderen altijd in de hoek.
Tegenwoordig kun je tijdens vrijgezellenfeestjes een hoerenkast huren en dan zelf achter een raam kruipen om te ervaren hoe dat is. Dat vind ik zo apart. Er stapt dan geen lastige klant binnen natuurlijk. Laatst vertelde een collega dat ze die avond met haar vriend naar een bedrijfsuitje gaat. “Oh leuk, wat gaan jullie doen?” “Windowshoppen op de wallen.” Dat raakt me heel erg. Waarom willen mensen dat? Dat gaat er bij mij niet in. In al die jaren dat ik in dat leven heb gezeten heb ik twee keer een prostituee ontmoet die zei dat ze nymfomane was. En zelfs dáár had ik mijn twijfels bij. Want je maakt mij niet wijs dat je het zomaar voor de lol doet. Al deze vrouwen hebben hun verhaal.
Het kunnen bepaalde karaktereigenschappen zijn die je te kwetsbaar maken in het leven. Bij mij is dat onder andere mijn extreme gevoeligheid. Alle indrukken die ik opdoe komen ongefilterd, dus keihard bij mij binnen. Ik lees de laatste tijd veel over HSP (highly sensitive person) en over hoe je kan leren om daar beter mee om te gaan. Maar ik denk ook dat de kans om in de prostitutie te belanden groter wordt, als je geen stevige basis hebt meegekregen van huis uit. Ik wil niet met mijn vingertje naar mijn ouders wijzen, maar het scheelt enorm als je opgroeit in rust.
Ik kom uit een goed milieu. Mijn vader was musicus bij een groot orkest. Zelf speelde ik cello, dus er werd thuis altijd veel muziek gemaakt. Mijn moeder was creatief en erg gastvrij. Maar wat ontbrak in ons gezin was structuur. Als ik uit school kwam was het altijd weer afwachten hoe het thuis zou zijn. Ik voelde me als oudste zus daarom ook erg verantwoordelijk voor mijn vier jongere broers. Er was veel spanning tussen mijn ouders, en door mijn gevoeligheid pikte ik dat ongewild allemaal op. Ik was veertien jaar toen ze uiteindelijk gingen scheiden. Mijn jongste broertje was toen nog maar een baby.
Ik bleef bij mijn moeder wonen. Mijn ouders waren vooral erg met hun nieuwe leven bezig, maar ik zat ondertussen in een verschrikkelijk loyaliteitsconflict. Moest ik de kant van mijn vader kiezen of de kant van mijn moeder? Ik kon het allemaal niet goed handelen. Ook op school voelde ik me ongelukkig. Het leren ging steeds slechter waardoor ik moest overstappen naar het speciaal onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden. Daar zaten ook jongeren die straf hadden of op internaten woonden. Het was er behoorlijk ongestructureerd, dus voor mij bekend terrein. Ik vond er gemakkelijk aansluiting. Maar toen ging het snel bergafwaarts met me.
De vriend van een van mijn schoolvriendinnetjes gebruikte heroïne. Op een avond was ik bij hem thuis en vroeg of ik het ook eens mocht proberen. Ik rookte het in een sigaret. Ik kan niet uitleggen wat me overkwam maar het leek alsof ik door het heelal werd geblazen. Er gebeurt altijd zoveel binnenin mij, maar toen voelde ik een serene rust. Ik kan het nóg voelen.
Nu denk ik: kan ik dit wel zo vertellen? Dat ik het in mijn geheugen nog steeds als lekker kan ervaren. Maar ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik heroïne een afschuwelijk middel vind. Ik dacht die allereerste keer: eigenlijk wil ik dit niet doen. Maar het voelde als mijn redding. Als een medicijn voor mijn problemen. En het heeft me in het begin zoveel opgeleverd dat ik me afvraag of ik anders nog had geleefd.
In de jaren die volgden knoeide ik er een beetje mee. Gewoon om af en toe even ‘vakantie te nemen van mijn gevoel’. Op school scoorde ik soms ook stiekem heroïne. Dan zat ik uren op de wc te kotsen, want zo reageerde mijn lichaam er altijd op. Dat had ik er wel voor over. In mijn klas zat een jongen op wie ik stapelverliefd was, Chris. Hij gebruikte ook.
Rond mijn zeventiende jaar ging ik echt de shit in. Ik stopte met school, liep weg van huis en ging samenwonen met Chris. We gebruikten samen en leefden van het geld dat hij binnenbracht met gokken en van mijn uitkering. Af en toe had ik een baantje via een uitzendbureau.
Maar bij Chris was het bajes in en bajes uit. Het gevangenisleven maakte hem paranoïde en steeds moeilijker benaderbaar. Ik ben opgevoed met de boodschap: wees lief, zorgzaam en volgzaam, dus ging ik steeds meer voor hem zorgen. Als hij weer vastzat zocht ik hem zo vaak als mogelijk was op. Ik smokkelde hasj mee naar binnen en zorgde dat zijn bankrekening was aangevuld zodat hij daar z’n televisie kon betalen. Chris was alles wat ik had. Maar hij werd steeds meer schizofreen en kreeg daarbij onvoldoende hulp. Ik heb een keer meegemaakt dat de hulpverleners blij waren dat ik er was om het over te nemen. Ik was weer de verantwoordelijke figuur en natuurlijk wilde ik hem graag redden.
In die periode kwam ik via een vriendin in aanraking met de prostitutie. In het begin leek het zo makkelijk. De eerste keer dat ik met een klant meeging hoefde ik alleen mijn borsten te laten zien. Maar het werken op de Baan werd al snel smeriger en harder. Ondertussen zat de dope op mijn nek. Ik dacht: als ik heel hard ga werken vergeet ik het allemaal wel, en vond seizoenswerk op een passagiersschip. Daar was geen heroïne, maar wel alcohol. Ik ging steeds meer drinken. Blijkbaar was ik super verslavingsgevoelig.
Terug aan wal kreeg de heroïne mij volledig te pakken, waardoor ik weer ging tippelen. Ik denk dat ik toen een jaar of twintig was. Ik zette eindelijk een punt achter mijn relatie met Chris, want daar ging ik emotioneel helemaal aan kapot. Kort daarna ontmoette ik Z die ook heroïne gebruikte. In mijn boek noem ik hem ook Z, want ik wil zijn identiteit absoluut niet prijsgeven.
Z had een heel dominant karakter, wat een enorme aantrekkingskracht op mij heeft. Ik voel me er veilig bij maar kan er tegelijkertijd niet mee omgaan. Het is een oud patroon waar ik me nu bewuster van ben geworden. Ik heb ook dominante ouders. Samen woonden we een tijd in zijn geboorteland. Die periode heeft pijnlijke littekens achtergelaten, want daar raakte ik de regie over mijn leven totaal kwijt. Ik was volledig gedepersonaliseerd.”
In Straatwaarde schrijft Esther over die ervaring: “Hier leef je volgens mijn regels”, zegt hij letterlijk tegen me. En ik gehoorzaam, luister naar hem, geloof hem. En als ik moet veranderen, doe ik dat voor hem met liefde.(…) Ik ga me anders kleden, een beetje zoals zijn zus en zijn moeder, en hou mezelf voor dat ik het fijn vind dat ik onopvallend over straat kan, dat niet iedereen me kan zien zoals ik ben. Niet dat veel mensen me zien, want Z heeft bepaald dat ik het huis niet meer uitkom als hij er niet bij is. Binnen een maand is mijn tropisch paradijs veranderd in een gevangenis. Ik heb geen referentiekader meer, geen ijkpunten om te bepalen wie van ons verandert en in welke mate. (…) Langzaam maar zeker voel ik mijn ziel ontsnappen, maar ik ben te moe, te apathisch om erachteraan te gaan. Voor het eerst begin ik serieus te denken over de dood.
“Ik hield heel veel van hem, op mijn manier. Het is zo’n deel geweest van mijn leven, die jongen. Soms ben ik wel eens nieuwsgierig, hoe het met hem gaat. En toen ik met Straatwaarde bezig was…het ligt allemaal nog heel gevoelig. Ik heb ook sommige stukken geblokt en nog niet verwerkt.”
Na een aantal bizarre ontwikkelingen keert het stel terug naar Nederland. Esther staat als vanouds weer broodmager en doodziek op de Baan geld te verdienen om Z en haarzelf van dope te kunnen voorzien. Ze neemt steeds grotere risico’s door op gevaarlijke tijdstippen te werken en buiten de vertrouwde zone. In haar boek beschrijft ze verschrikkelijke dingen: Ik word als boksbal gebruikt, tot bloedens toe geslagen met een rondje ruige seks als toetje, door mannen die goede banen hebben en een gezin, maar die, dat is mijn stellige overtuiging, eigenlijk niet vrij rond zouden mogen lopen. Ik bevredig mannen, met een pistool tegen m’n hoofd of een mes op m’n keel.
“In de prostitutie kom je een bepaald soort mannen tegen die álles op je botvieren!”, waarschuwt Esther. “En dat zijn echt niet de kerels van de gestampte pot, die hun gerief komen halen omdat ze het thuis misschien niet voldoende krijgen. Zij wilden soms alleen wat praten of gingen een hapje met me eten. Ze namen mij als mens en behandelden me met respect.
Nee, deze beulen zijn juist de getapte mannetjes waarvan je het totaal niet verwacht. Ik herken ze nu uit ervaring. En er zit wat vullis tussen hoor, tussen de mannen! Sorry dat ik het zo zeg, maar ik kan er nog steeds woedend over worden. Begrijp me niet verkeerd, ik heb absoluut geen hekel gekregen aan mannen. Maar ik heb wel nog heel veel angsten. Als ik zo’n fout figuur zie gaat mijn hart bonken en krijg ik het Spaans benauwd. Dan zie ik alles weer voor me… Het is een wonder dat ik geen HIV heb opgelopen en niet als een beest ben afgeslacht.
Ik probeerde in die jaren dat ik verslaafd was meerdere malen af te kicken. Een keer zat ik in een programma en was ik al tien maanden clean. Twee weken voor mijn afscheid, net voor de eindstreep haakte ik af. Uitgerekend op mijn 34ste verjaardag. Ik liep weg naar Amsterdam. Ik had geld bij me en haalde een zakje bruin. Maar het voelde niet goed. Ik wilde terug naar Utrecht en zag een Turkse snorder. Hij zei: “ik breng je naar Utrecht maar ik moet eerst nog even langs huis.” Daar nam hij me te grazen. Hij gaf me spierverslappers en verkrachtte me. Toen kwamen er nóg twee mannen die hetzelfde met me deden. Het was echt afschuwelijk. Er stond een hele grote kast vol met allemaal gekke medicatie waar je helemaal de weg van kwijtraakte. Ik wilde weglopen wat onmogelijk was door die pillen. “Het is dat ik je wel mag”, zei de snorder dreigend terwijl hij met een groot mes zwaaide. “Anders had ik je allang naar de andere wereld gestuurd!” Misschien had hij dat al met een ander meisje gedaan. Ik kende genoeg tippelaarsters die zomaar waren verdwenen. Dus probeerde ik rustig te blijven, lief en vooral tactvol. “Ik ben jarig en weggelopen uit de kliniek. Mensen kunnen zich ongerust maken en mij gaan zoeken.” Na een aantal dagen liet hij me plotseling zomaar gaan.
Die gebeurtenis was zo gruwelijk. Toen wist ik: nee, ik ben wel wat meer waard dan dit. Ik wil van de dope af. Voorgoed.
De weg terug naar het normale leven verliep stapsgewijs. Nadat ik clean was heb ik eerst heel lang trauma- en geweldpsychotherapie gehad. Daar ging ik ook in focus. Dan moest ik bijvoorbeeld nare dingen een kleur geven, of een denkbeeldige tent om mij heen bouwen van allemaal rozen en proberen in die krachtkant te komen. Soms moest ik heel erg huilen. En dat duurde jaren. Op een gegeven moment zei mijn therapeute: “We stoppen ermee want ik vind je zo sterk geworden. Je kan het nu wel alleen. “Nee, dat wil ik niet”, zei ik. “Ik wil bij jou blijven.”
Ik kon haar heel moeilijk loslaten. Maar het leven zet zich voort met de bagage die je hebt. Maar ook met de kracht die je hebt ontwikkeld. En naarmate de jaren verstrijken kom je steeds een laagje dieper, en dieper bij jezelf. Je moet echt een complete transformatie ondergaan. Doe je dat niet, dan ga je vroeg of laat voor de bijl.
Ik ben heel bewust gaan leven. Want je moet om kunnen gaan met teleurstellingen, goed voor jezelf zorgen dus voldoende slapen en eten, dingen bespreekbaar maken als je moeilijk zit. Soms val ik weer even terug in gedrag of heb ik een onrustige periode. Dan weet ik: oh, daar zijn we weer! Maar er zijn ook momenten dat ik me juist sterker voel en trots ben dat ik bepaalde zaken heb overwonnen.
Ik doe veel aan Tae Bo waarbij allerlei vechtsporttechnieken op muziek worden uitgevoerd. Daarbij gebruik je je hele body. Het is bijna betoverend wat daar gebeurt. Dat je je zo sterk kan voelen en ook die energie die je met elkaar ontwikkeld door samen te sporten. Misschien heeft Tae Bo mij nog meer geholpen dan het verbale. Want ik haatte mijn lichaam zo verschrikkelijk. Door Tae Bo kreeg ik ook meer zelfvertrouwen in het dagelijks leven. En dat had ik hard nodig, want het opbouwen van een nieuw leven was heel moeilijk.
In het begin voelde het alsof mensen mijn verleden van m’n gezicht konden aflezen. Ik ben op een bijeenkomst wel eens overgeslagen met handen schudden. Vroeger zou ik gedacht hebben: Ik ben transparant. Ze zien mij niet. Ze slaan mij over omdat ik een junk ben. Nu kan ik het relativeren en wijt ik het aan een stuk ongeïnteresseerdheid.
Mijn familie is blij dat ik weer gezond ben en zijn nu ook best trots op mij. Maar zij zitten in een totaal andere wereld dan ik. Ze zijn hoogopgeleid, hebben zich maatschappelijk gezien behoorlijk ontwikkeld en praten over hun werk, huis en inkomen. Maar ik zit met een gat van twintig jaar. Eigenlijk heb ik jarenlang in een soort coma gelegen. Kon ik die tijd maar inhalen. Ik was graag muzikant geworden, tolk Arabisch-Nederlands of danseres. Laatst zei iemand verbaasd op een familiefeest: “Joh, ik dacht dat jij dood was!” Dan ben ik wel eventjes heel verdrietig.
In het verpleeghuis waar ik werk als zorgassistent, wisten mijn collega’s niets van mijn verslaving. Totdat we een keer in de pauze bij de koffieautomaat stonden. Naar aanleiding van een vertrekkende collega die ging werken in de verslavingszorg, braken er allerlei reacties los over het onderwerp verslaving. Daarbij kwam ‘mijn geheim’ zo in het daglicht te staan, dat ik twee dingen kon doen. Ik dacht: Of ik ga na tien jaar weer een pakje scoren, omdat ik dat binnenhouden van mijn geheim niet meer trek. Of ik ga ze alles vertellen. Dat ik bezig ben met mijn biografie, waarin staat hoe ik een zeer ernstige verslaving wist te overwinnen. Ik ben gaan slapen en heb voor de gezondste, maar ook heel eng, de laatste optie gekozen. Ik kreeg veel goeie reacties, en het heeft me weer sterker gemaakt.
Er zijn ex-verslaafden die zeggen: “Ik kan het poeder nu gewoon laten liggen of wegblazen”, of: “Ik kan het best af en toe gebruiken”. Nou, ík ga dat niet opzoeken. Ik zou ook echt niet in een gebruikersruimte stage willen lopen. Dat is de kat op het spek binden. Ik zeg ook: Ik kan dat spul niet meer gebruiken, in plaats van ik zal. Het is beter dat ik dat weet toch? Nee, ik ga niet stoer doen. Voor dope blijf ik mijn hele leven lang gevoelig.
Ik voel bezorgdheid voor mijn oude medegebruikers zoals Chris, Z en de vrouwen. Ik kan het niet meer zien, die straten en plaatsen… Ik voel de ellende erachter. Jarenlang heb ik niemand uit de drugsscene gezien, maar toevallig kwam ik pas een oude bekende tegen op het station. Zij vertelde me over een vriendin van vroeger, die drie maanden geleden was overleden. Dat deed heel veel met me. Ik vroeg haar: “, Ben jij nog verslaafd?” Ze ontkende. “Moet je nou tegen míj jokken?” Ze vroeg uiteindelijk om geld. Ik zei: “Oké, ik geef je geld voor eten, niet voor dope. Dat verrek ik gewoon.” In de dopewereld is het duidelijk. Iedereen besodemieterd elkaar. Maar in de ‘gewone’ wereld kom ik vaak onderliggend crimineel gedrag tegen. En ook veel non-verbale agressie. Ik kan daar heel slecht tegen.
Mijn behoefte om te leren is groot. Ik hoop in de toekomst een bepaalde studie te volgen waar ik mezelf goed in kwijt kan. Naast mijn werk in de zorg geef ik drugsvoorlichting op middelbare scholen. Daar heb ik ook een stevige training voor gevolgd want dat doe je als ervaringsdeskundige echt niet zomaar. En in januari reis ik voor de zesde keer naar de tropen, waar ik tijdelijk vrijwilligerwerk doe met kinderen door middel van sport en muziek. Ik dreig snel te veel hooi op mijn vork te nemen, dus ik moet echt goed op mijn energie letten. Slapen, cello spelen en sporten helpen mij daarbij. Vooral slapen. Mijn geest krijgt dan eindelijk de welverdiende rust.
Het was zo heftig om totaal de regie over mijn leven kwijt te zijn, en het voelt zo heerlijk om nu die regie weer in handen te hebben. Wat dat betreft heeft de therapie mij heel rijk gemaakt. Ik zou ook niet meer terug kunnen vallen. Het kan wel, maar ik weet dat het dan einde rondje is. Ik weet nu zoveel over mezelf, dus als ik weer zou gaan gebruiken zie ik wat ik doe. Het klinkt misschien raar, maar dan is het echt einde oefening. Dan zijn er geen opties meer en ga ik gewoon dood.
Een liefdesrelatie? Ik heb het wel geprobeerd. Ik heb nog steeds goed contact met een hele lieve ex-vriend. Het ging gewoon niet meer tussen ons. Hij had zijn proces, ik het mijne.
Zodra mannen een bepaalde verwachting van mij hebben en er druk op mij wordt gezet, haak ik af. Daar kan ik niet mee omgaan. Wat dat betreft heb ik misschien wel levenslang.”
Straatwaarde is geschreven door Esther Schenk en Bert Muns en voor € 17,50, verkrijgbaar bij de boekhandel en via internet.
Gepubliceerd in Mijn Geheim 0942
Niet zomaar een boom!
oktober 1, 2009
Veel mensen denken dat een boom maar een boom is. Handig om een vloertje van te maken of een slecht boek. Ik geloof dat bomen wel degelijk een ziel, een boomgeest, een aura of whatever hebben. Gevoel! In de Ardennen zag ik deze twee oudjes verstild in een innige omhelzing. Tot het moment dat ze voor ons gerief worden omgekapt.
Roosje
september 1, 2009
Veertje
september 1, 2009
Crea-repara-tie
augustus 24, 2009
“Stop recycling, start repairing!” was het motto van Platform21=Repairing, een project dat mensen aanspoorde tot repareren.
‘We zijn niet tegen recycling’, vertelt Dewi Pinatih van stichting Platform21. ‘Maar om te recyclen moet je wel eerst iets weggooien, en dat houdt de wegwerpmaatschappij in stand. Dus is de stap vóór het recyclen: repareren.’
‘Gerepareerde spullen hebben een ziel doordat ze een verhaal vertellen. Want je ziet de sporen van het gebruik en de reparaties op het product. Iemand heeft er aandacht aan gegeven, er energie in gestoken. Dat geeft deze spullen een ander soort waarde.’
Zie alles over creatieve reparatie op www.platform21.nl en lees het hele interview in de eerstvolgende Genoeg!
Iron lady
augustus 24, 2009
Sleepbootschoorsteenvlag
augustus 24, 2009
Naarstig op zoek naar mooie vlaggen op schoorstenen van sleepboten kwam ik ergens deze poster tegen. Volgens mij was het in hotel New York in Rotterdam. Dit vind ik tot nu toe de leukste schoorsteen. Maar geen goed idee voor onze oude ‘Alida’, want dan krijg ik heibel met F en J die dan ook ‘geletterd’ willen worden.
Indisch monument
augustus 23, 2009
Puike pruiken
augustus 23, 2009
‘Ik kon mezelf niet meer aanzien’
Comfortabele pruiken schenken aan vrouwen met kanker die daar zelf niet de financiële ruimte voor hebben. Dat is het hoofddoel van het Puike Pruikenteam. Drie ‘Puike Pruikenvrouwen’ met een borstkankerverleden vertellen hun persoonlijke verhaal.
Miralda Schoonenberg, Michaela Bos en Bernadette Siemons vormen de harde kern binnen het Puike Pruikenteam. De drie vrouwen kenden elkaar doordat hun kinderen in dezelfde klas op school zaten. Alledrie kregen ze de diagnose borstkanker, precies in dezelfde maand, steeds een jaar na elkaar. Ze weten uit eigen ervaring hoe belangrijk het is om je goed te voelen over je uiterlijk, juist tijdens zo’n ingrijpende en onzekere fase in je leven.
Michaela (43) 1 zoon van 13, 1 dochter van 10
“Ik had al eens een knobbeltje gehad. Het was niet kwaadaardig dus werd er niets aan gedaan. Maar een paar jaar later werd het groter. Dat maakte me ongerust. “Het had er allang uitgehaald moeten worden”, zei de chirurg bij wie ik langsging. “Want al is het nu nog goed, het kan altijd veranderen.” Dus werd het knobbeltje weggehaald. In 2005 ontdekte ik weer twee knobbeltjes. Ze voelden aan als kleine zandkorreltjes net onder de oppervlakte van mijn huid. Je merkt het tijdens het wassen. Ze deden geen zeer. Ik kreeg een punctie waar gelukkig uit bleek dat het niets kwaadaardigs was. Ik dacht: dan laat ik ze na de zomervakantie wel weghalen. Dat gebeurde. In oktober kreeg ik een telefoontje. Of ik naar het ziekenhuis kon komen. Toen hoorde ik dat ik borstkanker had. Na onderzoek bleek ik meerdere knobbels te hebben dus moest de borst eraf. Het is zo raar gelopen. In juni was alles nog in orde, en begin november werd mijn borst geamputeerd. Daarna, precies op mijn 40ste verjaardag kreeg ik de uitslag. Dat vergeet ik nooit meer. Ik had uitzaaiingen in de lymfeklier. Twee weken later zou ik een feest geven. Ik dacht: ik had veel meer mensen moeten uitnodigen, want wie zegt dat ik er over een jaar nog ben?
Dan beland je in de mallemolen. Ik wilde alles gecheckt hebben: mijn lever, longen, botten. Want daar gaat het als eerste naartoe als je borstkanker hebt. Dus je zit steeds weer te wachten op uitslagen van onderzoeken. Wekenlang. Wachten op antwoorden is vreselijk, want al die tijd ben je onzeker over je toekomst. Ik hield in die periode alles wat er gebeurde bij in een dagboek.
Ik had veel moeite met alleen zijn, dus was graag onder de mensen, puur als afleiding. Anders kwam alles op me af. Het leek iedere dag wel borreltijd met vrienden en familie. Ik kreeg zoveel belangstelling, kaarten en bloemen. Zoals mensen mij in die tijd hebben bijgestaan vind ik heel bijzonder. Je belandt in een proces. Als ik iemand over mijn ziekte vertelde werd er vaak heel erg geschrokken gereageerd. Maar zelf ben je dan alweer een fase verder. Dat vond ik opvallend. Daarom hield ik bepaalde mensen goed op de hoogte, zodat we steeds op eenzelfde spoor zaten.
“Blijf vooral positief denken”, zeiden mensen soms. “Dan komt het wel goed.” Dat maakte me wel eens boos. Alsof je dan geen kanker had gekregen. Ik heb van nature een positieve instelling. Maar als je kanker hebt kun je pas positief zijn vanaf het moment dat je hoort hoe je ervoor staat. Dan weet je waar je voor moet vechten.
Na alle uitslagen wist ik, hier houdt de onzekerheid gelukkig op. Ik kreeg vijf chemokuren waar je dan wel ziek van wordt, maar ik denk dat ik toch niet mag klagen.
Zodra ik wist dat ik chemotherapie moest ondergaan, ben ik direct een afspraak gaan maken bij een aanbevolen haarwerker. Er werd een mal gemaakt van mijn hoofd, en een plukje haar afgeknipt voor het bepalen van de kleur. Een week later stonden er drie pruiken klaar. Een was gemaakt van echt haar, een was synthetisch en de derde was een mix van echt haar en synthetisch haar. Ik koos voor de pruik gemaakt met het echte haar, die precies op mijn eigen haar en kapsel leek. Ik wilde er hetzelfde uit blijven zien. Ook voor de kinderen. Voordat mijn haar uitviel was mijn pruik al klaar.
Haaruitval begint, heel typisch, boven je oren. Eerst spoot ik er nog haarlak op. Maar dan gaat het snel. Het stukje vrouwzijn wordt dan wel heel erg aangetast. Je borst is eraf, en je bent kaal. Je ziet er echt niet uit als je ‘s ochtends in de spiegel kijkt. Vreselijk. Een borstamputatie kun je verbloemen met kleding, maar je haar… Al wist ik dat het tijdelijk was, ik vond het op dat moment ingrijpender dat ik kaal werd. De kinderen hadden er ook moeite mee. Mijn zoontje durfde de eerste week niet naar mijn kale hoofd te kijken. Na een poosje vroeg hij: “mamma, mag ik het zien?” Helemaal in zijn eigen tempo. Ik deed mijn pruik af en hij moest toen wel een beetje lachen.
Toen ik een keer bij de haarmaker was zag ik een pruik die mij enorm aansprak. Het was een totaal ander soort kapsel, want met heel kort blond en steil haar, waar een haarband in was verwerkt. Ik dacht: over een tijdje, als mijn eigen haar weer terugkomt, zien ze mij ook met een andere coupe. Dit is een goed moment voor verandering. Ik had de periode van chemokuren afgesloten en was er wel aan toe. Toen mijn haar weer terugkwam zat de pruik niet meer goed, dus wilde ik die liever niet meer dragen. Maar mijn zoon vond het heel moeilijk als ik hem zonder pruik van school kwam halen. Mijn dochter, die jonger is, was daar makkelijker in.
Al die tijd tijdens de onderzoeken en kuren ben je sterk geweest en ga je door. Dat is je drive. Daarna val je in een gat. Dat was mijn down-periode. Ik had een paar maanden een nichtje als au pair in huis gehad. Zij vertrok. Ik was eigenlijk nog niet echt alleen geweest. Ik raakte in paniek, want werd zo op mezelf teruggeworpen. Dat heb ik echt ervaren als een klap na. Pas dan begint het echte verwerken.
Ze zeggen wel eens: vrouwen zijn negen maanden zwanger, en moeten dan negen maanden ontzwangeren. Zo is het ook met dit.”
Bernadette (45) 1 zoon van 11, 2 dochters van 10 en 14
“Ik had een deukje in mijn borst. Omdat ik net daarvoor heel erg was afgevallen dacht ik: dat zal daar wel door komen. Diep van binnen wist ik misschien beter. Mijn man zei: “Je moet er toch eens naar laten kijken. “Ja, na de zomervakantie”, zei ik, maar de plek deed wel een beetje pijn. Ik ging naar het ziekenhuis en kreeg een mammografie, een echo, de radioloog werd erbij gehaald en toen kwamen ze met zulke gezichten aanlopen. Mijn man viel bijna flauw, maar ik lag daar op bed en schakelde direct over op een soort actieplan. Het ging zo snel. De volgende dag kreeg ik een punctie. Overal werd in geprikt en aan getrokken. Het was foute boel. Dan ga je ineens een heel ander leven in…
Ik leerde Michaela pas echt kennen toen ik zelf ziek werd. We kwamen elkaar in het ziekenhuis tegen. Ze had net een goede scanuitslag gehad. Ik was blij voor haar. Nu kon zij weer even ademhalen. Ik stond nog helemaal aan het begin. Ik kreeg een borstbesparende operatie, vijf chemokuren en 32 bestralingen.
Mijn kinderen waren erg bang. Vooral mijn achtjarige zoontje Hans. Ik had hem uitgelegd dat ik een medicijn zou krijgen waar ik ziek van zou worden, en waardoor mijn haar uit zou vallen. Kaal worden betekent dat je dood gaat, dacht Hans. Michaela bereidde me steeds weer op dingen voor. Ze gaf mij een boekje waar haar kinderen veel aan hadden gehad: Chemo-Kasper. Het vertelt op een simpele manier hoe de chemo de kanker te lijf gaat en welke verschijnselen je daarbij krijgt. Ik las het aan alledrie mijn kinderen voor.
Op het moment dat ik nog niet wist hoe alles zou uitpakken ben ik wel even bang geweest. Maar toen ik eenmaal geopereerd was en bleek dat ik geen uitzaaiingen had, was ik gerust. Toen kon ik zeggen: ik ga beter worden.
Ik had in die periode heel erg de behoefte om het met mijn gezin te delen. We deden alles samen en werden nog hechter dan we al waren. Ik heb altijd veel mensen over de vloer, maar wilde vooral zelf bepalen hoe ik het allemaal ging verwerken. Zonder al te veel meningen en goed bedoelde raad van buitenaf. Het was als een nieuwe kennismaking met mijn man, mijn kinderen en de omgeving. Het is allemaal zo voelbaar. Je ziet en ervaart dingen die je tot dan toe niet had gezien of meegemaakt.
Toen mijn haar uit begon te vallen zijn we met het hele gezin in de badkamer gein gaan maken. Met de tondeuse. We maakten snorretjes van mijn haar en allemaal gekke foto’s. Zo werd het een afscheidsritueel van mijn erg lange haar.
Het was mij opgevallen dat Michaela zichzelf altijd tot in de puntjes verzorgde tijdens haar chemokuren. Je zag niets aan haar als je niet had geweten dat ze midden in een zware kuur zat. Dat zette mij aan het denken. Ik had wel 100% begrip voor mensen die voor een pruik kozen. Maar het stond bij mij van het begin af aan als een paal boven water: Ik wilde geen pruik. Dat paste niet bij mij. Ik wilde zijn zoals het was op dat moment, daar had ik behoefte aan. Maar ik wilde er wel goed verzorgd uit zien. Ik ben altijd al veel met sieraden en dergelijke bezig, dus dacht: ik verzin wel wat leuks met mutsen of met sjaals. Ik vond het op zich niet erg als mensen zagen dat ik kaal was, maar ik ging niet zomaar met een kaal hoofd naar buiten. Thuis droeg ik ook zelfgemaakte mutsjes. Pas als je geen haar meer hebt voel je hoe koud dat is, dus ik sliep er zelfs mee. Kinderen op school reageerden vaak bewonderend op mijn hoofdcreaties: “wat heb je een mooie doek om.” In het ziekenhuis vroegen ze: “hoe heb je dat nou weer geknoopt? Kun je dat niet eens komen uitleggen?” Maar als ik in de warme zon met een muts op liep kreeg ik natuurlijk ook opmerkingen van onbekenden zoals: “heb je het koud ofzo?”
Toen kwam mijn eigen haar weer terug. Ik herinner me nog goed de eerste keer dat ik alles afdeed. Het was een heel bijzonder en bewust moment. Mijn nieuwe haar leek op een soort donsdekentje. Het ging nergens over, maar voor mij betekende het ontzettend veel. Er is een groot verschil tussen helemaal kaal zijn en je eerste haargroei. Haar betekent een dak op je hoofd. Letterlijk hoofdbedekking. Je voelt je minder kwetsbaar. Als je kaal bent voel je je zo open en bloot. Wat wel wonderlijk is aan kaal zijn, is dat je dan voor het eerst echt de vorm van je schedel kan zien. Ik trok op straat een keer de sjaal van mijn hoofd. Prompt komt er een kind voorbij die dat ziet, met zijn oma. Hij riep verbaasd: “Kijk oma, die mevrouw heeft geen haar op d’r hoofd!” Ik dacht: Hoezo? Ik heb toch weer haar?
Inmiddels ben ik nu versneld in de overgang beland. Compleet met opvliegers, echt heftiger dan normaal. Ik heb af en toe het gevoel dat het over me heen holt. Dan denk ik: stop, stop! Ik begrijp dat mijn lichaam nog meer gaat veranderen, maar geef me alsjeblieft even de tijd. Het gaat allemaal zo snel. Dat maakt het soms wel moeilijker om te accepteren.”
Miralda (46) haar twee dochters zijn nu 11 en 13 jaar
“Ik had ’s nachts enorme steken in mijn borst en zag dat ik een ingetrokken tepel had. Maar ik werd weggestuurd uit het ziekenhuis. Ze zagen niets op de mammografie en gingen niet verder met onderzoek. “Kom over een half jaar maar terug. Er zijn zoveel vrouwen die dergelijke klachten hebben.” Maar een ingetrokken tepel was naar mijn weten echt niet normaal, dus vastberaden belde ik voor een afspraak naar de Daniël den Hoed kliniek in Rotterdam die gespecialiseerd is in kanker. Daar ontdekten ze een tumor in mijn borst met een doorsnede van tweeënhalve centimeter. Het bleek om een niet kalkhoudende tumor te gaan, die daardoor alleen zichtbaar was op een echo. Gelukkig heb ik assertief gehandeld. Maar hoeveel vrouwen zouden na het eerste onderzoek gewoon naar huis zijn gegaan met het idee dat ze niks hadden? Dan ben je dus echt de klos.
Ik had uitzaaiingen in mijn klieren, maar kon kiezen tussen een amputatie of een borstbesparende operatie. In eerste instantie denk je: haal er maar af. Voor mijn part allebei. Weg is weg. Maar je bent toch een vrouw. Als je kanker hebt moet je constant keuzes maken uit twee slechte dingen. Het werd een borstbesparende operatie, zes chemokuren en 32 bestralingen.
Dan begint de dagelijkse gang naar het ziekenhuis. Zes weken lang. Vriendinnen stonden er op om met mij mee te gaan, dus gingen roosters maken. Dan komen ze je halen , eerst koffie drinken, dan naar het ziekenhuis, weer koffie drinken, misschien nog ergens lunchen. Voor ik het wist was ik een halve dag kwijt. Daar had ik helemaal geen tijd voor. Na twee keer besloot ik: dit doe ik liever alleen. Ik combineerde de bestralingen met het boodschappen doen en de kinderen uit school halen. Het was alsof ik ging werken. Ik heb na zes weken bij wijze van spreken weer mijn ontslag genomen.
Ondertussen kreeg ik veel bruikbare tips van Bernadette, Michaela en een vriendinnetje die in Italië woonde en ook borstkanker had. Michaela gaf mijn dochter op school een pakje venkelthee mee naar huis omdat ze precies wist wanneer ik verstoppingen zou gaan krijgen. Of ze vroeg: “Zit je haar al los?” Welnee, dat gaat mij niet gebeuren hoor.” “Probeer eens boven je oren.” En ja hoor, ik trok er zo een pluk uit. “Scheer het nou af voor je tweede chemo”, zei Michaela. “Want straks ben je zo ziek, dan lig je een paar dagen in bed en valt al dat haar op je kussen. Net als Bernadette heb ik met mijn twee dochters vreselijk gelachen tijdens het afscheidsritueel van mijn haar. De meiden maakten er snorretjes van, okselhaar, navelhaar, het was zo bizar. De volgende dag gingen we met z’n allen naar de haarwerker die mijn hoofd kaal schoor. Toen moesten we ontzettend huilen. Behalve mijn man, die zei: “Kijk naar dat hoopje haar. Dat is maar tijdelijk. Jij gaat weer helemaal beter worden.” Hij had gelijk, het was maar tijdelijk. Maar ik heb er zoveel moeite mee gehad en ben zo onzeker geweest over mijn uiterlijk. Ik heb jarenlang gewerkt als schoonheidsspecialiste. Ik vind het belangrijk om er goed uit te zien. Mensen mochten wel weten dat ik borstkanker had, maar niemand mocht het zien. Daarom koos ik ook voor pruiken die precies op mijn eigen haar leken. Ik wilde op straat niet nagekeken worden door mensen: kijk, daar loopt een kankerpatiënt.
Toen ik kaal was, en ook geen wenkbrauwen en wimpers meer had, kon ik mezelf niet meer aanzien. Zonder in de spiegel te kijken schminkte ik me ’s avonds af en ging naar bed. Ik vond het verschrikkelijk. Ook naar mijn man toe die zeven jaar jonger is dan ik. Maar hij zei: “Je bent mooi met dat kale bolletje. Je lijkt wel zo’n Italiaanse kunstenares.”
We gingen op vakantie en ik stapte zonder pruik het vliegtuig in. Ik had toen hele korte stekeltjes en dacht: ik ga nu toch weg. Niemand kent me hier. Toen ik stopte met pruiken dragen kwam ik bij mijn vaste bakker in ons dorp. “Dat staat leuk, je haar zo kort. En wat stoer dat je het in één keer durft af te knippen!”, zei de eigenaresse. Ik kon mijn mond niet houden en zei: “ik denk dat je iets hebt gemist.” Ze keek me met grote ogen aan en begon spontaan te huilen. “Oh, wat erg voor je. Hoe is het mogelijk. Ik heb nooit iets aan je gezien.” Waarop ik zei: “Dat was precies wat ik wilde.”
Ik zeg altijd: ik was comfortabel ziek. Ik heb een fijne man, hoef me financieel geen zorgen te maken en woon in een goed en onderhouden huis met een au-pair. Maar je kunt ook gescheiden zijn, afhankelijk van alimentatie en er alleen voor staan. Dan moet je met je zieke lijf je kinderen uit school halen. Moeders cijferen zichzelf meestal als eerste weg. En als je dan ook geen goede pruik kunt kopen…Je voelt je een stuk lekkerder als je er goedverzorgd uitziet. Dat draagt zeker bij aan je herstel. Daar ben ik van overtuigd.
Als ik nu terugkijk kan ik echt zeggen: het was de meest intense periode van mijn leven. Maar het zal altijd blijven: het leven ervoor…en het leven erna…”
Een team bevlogen vrijwilligers uit Rotterdam, Bergschenhoek, De Hoeksche Waard en het Westland organiseerde op 16 mei voor Viva La Donna een nieuwe actie: De Puike Pruikendag! Het doel van deze jaarlijks terugkerende dag is om twintig vrouwen met kanker, die niet in de gelegenheid zijn zelf een pruik aan te schaffen, er een te schenken. De geselecteerde dames konden van te voren een foto insturen en hun wensen zoals haarlengte, kleur en model kenbaar maken. De zeven haarwerkers die aan de actie meedoen selecteerden vervolgens voor iedere vrouw tien pruiken waaruit ze er een kunnen kiezen. Op de Puike Pruikendag worden de pruiken gepast en op maat gemaakt. Het is daarnaast ook een informatieve dag. Alle twintig vrouwen gaan met een nieuwe pruik naar huis.
Miralda Schoonenberg, Michaela Bos en Bernadette Siemons vormen de harde kern binnen het Puike Pruikenteam. De drie vrouwen kenden elkaar doordat hun kinderen in dezelfde klas op school zaten. Alledrie kregen ze de diagnose borstkanker, precies in dezelfde maand, steeds een jaar na elkaar. Ze weten uit eigen ervaring hoe belangrijk het is om je goed te voelen over je uiterlijk, juist tijdens zo’n ingrijpende en onzekere fase in je leven.
Miralda vertelt: “De basisvergoeding voor een pruik is 269,50 euro. Maar een fatsoenlijke pruik kost tussen de 600 en 800 euro. Dan praat ik niet eens over de pruiken die ik zelf heb gedragen. Natuurlijk heb je ook pruiken voor 300 euro. Maar het gaat er om dat je een keuze hebt in wat op dat moment bij jou past. En je ziet en voelt heel snel een duidelijk verschil in kwaliteit. De pruiken die wij weggeven zijn van hele goede kwaliteit, zacht en comfortabel om te dragen.
Aan de Puike Pruikendag werken dertig vrijwilligers mee. Er zijn visagisten aanwezig die laten zien hoe je mooi wenkbrauwen kunt tekenen. De dames krijgen advies over huidverzorging en lekkere producten mee naar huis. Want door chemotherapie droogt je huid enorm uit. Ook kunnen vrouwen ter plekke worden kaalgeschoren voordat hun haar gaat uitvallen. Het is voor hun uiteraard een hele emotionele en bijzondere dag.
Maar naast deze dag hebben we ook het Puike Pruiken Plan. We kunnen het hele jaar door pruiken weggeven aan dames die dat niet kunnen betalen. Er zijn een aantal haarwerkers die zich bij ons hebben aangesloten. Als er bijvoorbeeld een mevrouw in Leeuwarden is die een pruik nodig heeft, zeggen wij, ga naar dat adres dan regelen wij voor jou een pruik. Dit wordt betaald met sponsorgeld. We geven presentaties in het hele land aan stichtingen die aan goede doelen schenken en sturen persberichten rond.
Wij hebben ons aangesloten bij Viva La Donna. De doelstelling van deze stichting is om vrouwen met kanker te ondersteunen. Zij bestaan al vijf jaar en wij kunnen ontzettend veel van ze leren. We zijn eigenlijk pas in september vorig jaar gestart. Na het brainstormen op diverse meetings hebben we allerlei contacten gelegd. Zo kreeg het Puike Pruikenteam vorm. Alles ging waanzinnig snel in een hele korte tijd. Het is net als een positief virus.”
Gepubliceerd in weekblad Mijn Geheim 09/20
De andere kant van Afrika
augustus 23, 2009
‘Wij willen laten zien hoeveel kracht deze mensen hebben’
Na vijf maanden vrijwilligerswerk in Ghana richtten de twee studenten Kelly de Vries en Muriel Koch de stichting Meet Kate op. Samen met de lokale bevolking zetten zij projecten op om de toekomstperspectieven van Ghanese kinderen te verbeteren.
“Kijk, dat meisje met die stralende ogen is Kate. Zij is het gezicht van onze stichting ‘Meet Kate’. Een vrolijk meisje met hoopvolle ogen en niet het zielige Afrikaanse kind.” Kelly de Vries (21) en Muriel Koch (23) bladeren trots door een groot boek vol prachtige foto’s van de zevenjarige Kate met haar pleegmoeder Philomena (57), en de bouw van een kindertehuis in Swedru, een middelgroot dorp in Ghana, Afrika.
De stichting werd opgericht na terugkomst van vijf maanden vrijwilligerswerk. De meiden hebben inmiddels al 40.000 euro voor de stichting opgehaald. De bouw van dit grote project, het kindertehuis ‘Meet Kate Children’s Home’, is in volle gang. De foto’s laten zien dat er de afgelopen maanden keihard aan is gewerkt. De fundering staat, de muren zijn al opgetrokken. In juni 2010 is het klaar en kunnen de eerste kinderen daar hun intrek nemen. Wat heeft de twee jonge vrouwen tot deze bijzondere prestatie gedreven?
Muriel: “Ik wilde na mijn eindexamen VWO heel graag naar Afrika. Waarom precies weet ik eigenlijk niet. Ik zocht naar een stabiel land zonder oorlog of rellen. En het liefst ook Engelstalig, omdat mijn Frans niet zo goed was. Het werd Ghana. Daar waren veel mogelijkheden om vrijwilligerswerk te doen. Twee weken voor mijn vertrek kreeg ik een lijstje met namen van mensen die dezelfde dag als ik vanuit Nederland naar Ghana zouden vertrekken. Daar stond ook de naam van Kelly bij. We kenden elkaar wel vaag, want we zaten bij elkaar op school in Bussum. Maar we deelden niet dezelfde vriendengroep. Ik belde haar meteen op en ze klonk een beetje verbaasd toen ze hoorde dat ik het was.” “Ja”, beaamt Kelly, “Ik weet het nog precies. Ik dacht: waarom belt Muriel mij? Ze zei: jij gaat naar Ghana hé? Ik ook!” “We zijn diezelfde week samen koffie gaan drinken, en hebben nog snel een inzamelactie gehouden bij onze middelbare school voor schriften, potloden en pennen. Eenmaal in Ghana zijn we echt bevriend geraakt. Na drie maanden zaten we aan een zwembad te praten over welke studie we wilden gaan doen. Ik zei: “Ik ga hierna psychologie studeren”, waarop Kelly zei: “Dat is toevallig. Ik ook!”
Kelly was al vaker in Afrika geweest. “Mijn eerste ervaring met Afrika kan ik me nog goed herinneren. Ik was veertien jaar. Omdat mijn vader een bekende Nederlander is gingen wij liever iets verder weg op vakantie, waardoor we minder kans liepen op straat te worden nagestaard. Mijn ouders wilden mij en mijn jongere broer de wereld laten zien. En ook heel bewust ‘de andere kant’ We zijn toen in vier weken van Johannesburg naar Kaapstad getrokken. In Johannesburg reden we, vergezeld door een gids, de arme wijken in. Ik keek naar buiten en zag allemaal kinderen die vrolijk naar ons zwaaiden. Mijn toen elfjarige broertje had een stapeltje oranje Ajax-voetbalshirts meegenomen, om daar uit te delen. De kinderen vonden het prachtig. Ze trokken de veel te grote shirts meteen aan. Ik zakte iets door mijn knieën om er een foto van te maken. Toen sprong er onverwacht een meisje op mijn arm en gaf me een dikke knuffel. Mijn moeder was ook foto’s aan het maken en riep: “Kelly, draai je eens om!” Op datzelfde moment stond er ook een jongen in een van de Ajax-shirts achter mij, die net een peaceteken maakte. Dat was zo grappig. Die foto heeft nog steeds een prominente plek in mijn huis.
Ik was verbaasd, want dit was een totaal ander beeld van Afrika dan wat ik kende van de televisie: inzamelacties en uitgehongerde zielige Afrikaanse kindertjes. De jaren daarna kwam ik tijdens vakanties ook in Kenia en Tanzania. Ik zag veel nare dingen zoals armoede, slechte huizen en kinderen die op straat werken. De situaties waarin deze mensen leven zijn vaak heel schrijnend. Maar ik zag ook dat ze er op hun eigen manier iets moois van maakten, en daarbij heel veel plezier hadden. Dat was precies wat mij iedere keer zo diep raakte in Afrika. Ik was benieuwd hoe ik dit zou ervaren als ik er voor langere tijd zou zijn. Werken als vrijwilligster in Ghana leek mij ook een goede start om voor de eerste keer in mijn eentje op pad te gaan.”
Op 19 februari 2006 was het zover. Muriel en Kelly werden allebei op verschillende projecten geplaatst via Travel Active, een Nederlandse uitwisselingsorganisatie. Kelly ging les geven op een basisschool. “Gelukkig deed ik dat samen met een Ghanese juf, want ik sprak toch anders Engels dan deze kinderen gewend waren. Ik merkte al snel dat er op die school geslagen werd met een stok. Ik wilde absoluut niet dat kinderen werden geslagen waar ik bij was. Maar af en toe hoorde je de lijfstraffen in andere klassen dwars door de muren heen. Ik werd zelf natuurlijk flink door de kinderen uitgetest. Maar strafregels schrijven, in de hoek staan of binnen blijven in de pauze…is dat straf? Dat kenden ze niet. Dus moest ik andere manieren bedenken om orde te houden in de klas. Een keer vond ik dat zo moeilijk. Ik wist gewoon niet meer wat ik moest doen, en stond op het punt om in tranen uit te barsten. Ik dreigde de kinderen om een docent uit een andere klas in te schakelen die er om bekend stond dat hij veel en hard sloeg. De kinderen waren als de dood voor hem. “Wie vanaf nu niet stil is en aan het werk gaat breng ik naar hem toe!” Een jongetje kon zijn mond niet houden. Uitgerekend een heel klein jochie dat normaal nooit stout was. De klas was doodstil en de kinderen keken me met grote ogen aan. Maar ik moest me natuurlijk aan mijn woord houden. Ik voelde het knulletje shaken toen we samen door de gang naar die leraar liepen. Ondertussen bedacht ik me dat die man waarschijnlijk stoer zou gaan doen om mij te imponeren, en hem daardoor nog harder zou slaan. Dat kon ik niet laten gebeuren. Net voor zijn deur keek ik het jongetje aan en zei: “of zal ik je toch nog een kans geven?” “Yes, yes!”, riep hij opgelucht, en hij rende als een speer terug naar de klas.”
Muriel was geplaatst op een heel arm schooltje. ”Ze hadden mij daar erg hard nodig. Maar leraren kwamen vaak niet opdagen of lagen te slapen. Ik voelde me net een politieagent die verantwoordelijk was voor zes klassen. Ik werd daar heel ongelukkig van. Het was een te groot project om in mijn eentje te doen. Na drie weken ontmoette ik iemand die enthousiast vertelde over het project FrankEve, een vakschool waar kansarme meisjes een gratis opleiding krijgen. Ze schenen daar heel hard mensen nodig te hebben. Ik dacht: ik heb veel ervaring in de horeca, dus ik kan die meisjes veel leren. Toen er een ander gastgezin voor me was gevonden, kon ik naar FrankEve worden overgeplaatst waar ik Engelse les en Persoonlijke Verzorging ging geven.”
Ook Kelly ging op FrankEve lesgeven. “Ik gaf wiskunde, toegepast op het soort werk waar de meisjes voor leren. We kochten stoffen die we in stukken knipten of we bakten taarten die we in punten verdeelden. Zo oefenden we op praktische wijze het meten en delen.”
Kelly en Muriel waren heel enthousiast over het werk bij de vakschool. “Als deze meisjes iets leren waarmee ze een baan kunnen krijgen, maakt ze dat minder afhankelijk. We hoorden regelmatig verhalen over meisjes wiens ouders geen opleiding voor ze konden betalen, en dat ze vervolgens tegen de verkeerde man aanliepen… Een goede opleiding en werk voor vrouwen wordt in Ghana niet zo belangrijk gevonden. Terwijl het juist vaak de Ghanese vrouwen zijn die zien wat nodig is, en daar vervolgens iets mee gaan doen.
Zo is het ook gegaan bij Francisca, een van de oprichtsters van FrankEve. Zij heeft zelf keihard moeten werken om haar eigen opleiding te kunnen betalen. Met dit project kan ze andere kansarme meisjes helpen. Die mentaliteit: meer aan de samenleving denken dan aan jezelf. Dat is daar zo anders dan in het individualistische Nederland.
Ook de hartelijke gastvrijheid was voor ons een bijzondere ervaring. In onze gastgezinnen werden we behandeld alsof we familie waren.De kinderen noemden ons hun ‘zus’. Ze vingen ons op als we het zwaar hadden. Want we hadden best pittige momenten. We waren nog geen twintig, net van school, weg van familie en vrienden in een ver land met een andere taal en cultuur.”
Het gastgezin waar Muriel in die periode woonde was een, voor Ghanese maatstaven, rijk gezin. “Mijn ‘host-oma’ was rond de 70 jaar oud, en zorgde voor haar kleinkinderen. Een gezinssamenstelling in Ghana wisselt regelmatig. Dan woont iemand weer een tijdje hier, dan weer daar. Dat is daar heel normaal. Oma had zeven kinderen waarvan er twee in Canada woonden en een in Duitsland. Ze stuurden haar regelmatig geld. Er waren een paar achternichtjes die voor het huishouden zorgden. Mijn ‘broertjes en zusjes’ konden daardoor na schooltijd lekker gaan tekenen of een dvd-tje kijken. Maar dat is in lang niet alle gezinnen het geval. Sommige kinderen gingen helemaal niet naar school omdat ze hun moeder op de markt moesten helpen. Er zijn grote milieuverschillen in Ghana.”
Kelly woonde in een armer gezin. Daar leerde ze haar ‘hostzusje’ Kate kennen. Philomena Fynn (iedereen noemt haar daar Philo) was de pleegmoeder van Kate. Kelly vertelt: “De biologische moeder van Kate was pas 15 jaar oud toen Kate werd geboren. Tweeënhalve maand te vroeg. De baby woog nog geen kilo en had een kleine kans om te overleven. Daarom bracht haar jonge onervaren moeder het kindje naar Philo, die verre familie van haar was. Philo gaf Kate onderdak en liet haar naar school gaan. Als deze vrouw niet voor Kate had gezorgd, had ze het misschien niet eens overleefd. In Nederland zijn wij gewend dat kleine kinderen naar school worden gebracht. Kate liep al op haar vierde jaar alleen naar school. Dat is een uur lopen van huis terwijl de taxi 20 cent kost. ‘s Ochtends maakte ze met de andere kinderen eerst het hele huis schoon. Als ze uit school kwam ging ze water halen en helpen met koken en schoonmaken. Ze vond dat helemaal niet vervelend. Ze had ondertussen juist heel veel lol. Daarom is Kate het boegbeeld van onze stichting. Ze is zo vrolijk en leergierig en vind het heerlijk om naar school te gaan. Dat zagen we ook bij veel andere kinderen. Iedereen weet dat er leed is in Afrika. Maar wij willen juist laten zien hoeveel kracht deze mensen hebben en hoe hoopvol ze zijn.”
De meiden bladeren verder in het fotoalbum en vullen elkaar voortdurend aan tijdens het vertellen. “Moet je die armspieren zien van Philo”, zegt er een. “Daar zijn wij wel jaloers op. Die vrouw is getekend door het leven, maar zo liefdevol. Ze heeft in Nigeria gewoond als 13de vrouw van een stamhoofd. Van de zeven kinderen die ze kreeg zijn er vijf overleden. Maar ze praat er niet over. Haar instelling is: we leven nu. Laatst stuurde ze een sms-je met de tekst: ‘ik hoop dat alles goed gaat met jullie en dat jullie familie net zo gezond is als dat wij zijn.’ In plaats van te denken: jullie wonen in een westers land en zijn veel rijker dan wij, dus het zal wel goed met jullie gaan.
Philo droomde ervan om ooit een weeshuis op te zetten. Zij had zo vaak gezien dat veel kinderen niet de juiste aandacht kregen, onvoldoende te eten hadden of niet de mogelijkheid om naar school te gaan. Dan vroeg Philo aan kinderen die over straat zwierven: “waar zijn je ouders? Moet je niet naar school?” In Ghana heb je geen kinderbescherming zoals in Nederland. Er zijn geen instanties vanuit de overheid die voor de behoeften of rechten van kinderen opkomen. Als ze geen familie hebben die voor hun kan of wil zorgen worden ze echt aan hun lot overgelaten. “Als ik die kinderen een dag per week eten kan geven”, dacht Philo, “of ze een klusje kan laten doen voor geld…” En zo kreeg haar idee vorm. Ze kocht een stuk land en had zelfs al een bouwtekening gemaakt.
Wij wilden haar hier graag bij helpen. Want dat is ook onze visie. Samen met de lokale bevolking dingen opzetten die zij belangrijk vinden voor hun omgeving. Met Stichting Bouwen, een Nederlandse organisatie die ook in Ghana zit, zijn we haar ontwerp opnieuw gaan bekijken. Zij hebben het bouwplan aangepast en nauwkeurig uitgewerkt.
De bouw van Meet Kate Children’s Home is een jaar geleden van start gegaan. Alle benodigde materialen worden ter plekke gekocht om de plaatselijke economie te steunen. We verschaffen werk aan 10 tot 12 mensen uit de omgeving. Wij merkten op een gegeven moment dat het bouwen op sommige puntjes iets beter kon. De lokale bevolking kan wel bouwen, maar ze hebben er nooit voor gestudeerd. En veiligheid staat bij ons op nummer één. Je moet er toch niet aan denken dat er iets instort met kinderen eronder. Dat is de ergste nachtmerrie die je je kan bedenken. Daarom hebben wij Stichting Bouwen gevraagd het project ook bouwkundig te begeleiden. Zo krijgen de werkmensen meer vakkennis, wat weer gebruikt kan worden in de toekomst. Wij houden vanuit Nederland veel contact met het project, zodat we goed weten welke vorderingen er plaats vinden, en waar het geld van de donateurs aan wordt besteed.
Als het kindertehuis klaar is moet je niet denken dat er een rij kinderen voor de deur staat te wachten, klaar om naar binnen te gaan. Het is van groot belang dat er eerst goed wordt gekeken welke kinderen ervoor in aanmerking komen. Want wonen bij familie heeft onze voorkeur. Het huis biedt ook een mogelijkheid voor kinderopvang voor werkende ouders. Er komt een vaste ploeg mensen werken met de juiste scholing en pedagogische kennis. Philo, die zelf verpleegster is, gaat er sowieso werken. Misschien kunnen de meisjes van FrankEve er tegen betaling koken en naaien of kinderen helpen met hun huiswerk. Zo kunnen zij iets verdienen en tegelijkertijd werkervaring opdoen. Dan is het cirkeltje weer rond.
Op die manier willen we de lokale bevolking helpen zelfvoorzienend te worden. Want we kunnen niet tot het einde der dagen geld blijven sturen. Natuurlijk zullen we altijd voor ze klaar staan als er problemen zijn. Maar uiteindelijk moeten ze voor zichzelf kunnen zorgen.Wij willen ook niet onze stempel drukken op de wijze waarop zij het doen. Zo blijft het project duurzaam en kan het langer door blijven gaan. Het enige misschien typisch Nederlandse wat we wel doordrukken is: Er wordt in ons huis absoluut niet geslagen! Want wij geloven niet dat slaag pedagogisch gezien de beste manier is om kinderen dingen te leren.”
Naast al het werk voor Meet Kate organiseren Kelly en Muriel ook schoolprojecten in Nederland “om jongeren te laten zien hoeveel je kan betekenen voor anderen. En wat je met motivatie en een beetje inzet kunt bereiken.” “Op onze middelbare school was het normaal dat je eerst iets van de wereld ging zien, voordat je begon met je studie”, vertelt Muriel. We komen wat dat betreft wel echt uit Het Gooi. Maar we hebben daar zelf ook hard voor gewerkt. Vrijwilligerswerk doe je nooit alleen voor anderen, maar ook voor jezelf. Ik zou iedereen willen aanraden: ga na je middelbare schoolopleiding een tijdje vrijwilligerswerk doen of reizen. Kom jezelf tegen. Het is zo’n goede ervaring. Een van de waardevolle dingen die ik heb geleerd is dat ik vertrouwen in mezelf heb gekregen. In een vreemd land, in iedere situatie, je overleeft het wel.
Ook heb ik in Afrika ervaren hoe het is om een minderheid te zijn. Ik ging op een gegeven moment naar het ziekenhuis omdat ik vermoedde dat ik malaria had. Maar ik kwam net vijf minuten te laat aan. Ze wilden me die dag niet meer onderzoeken. Ik voelde me behoorlijk ziek en het idee om malaria te hebben was voor mij heel heftig. Ik wilde zo graag nog diezelfde dag getest worden. Maar de verpleegster werd woedend: “Jullie blanken denken dat als jullie zeggen “het moet nu”, dat het dan ook direct gebeurt!” Ik voelde me heel erg gediscrimineerd omdat ze afgaf op het feit dat ik blank was. De volgende dag bleek ik trouwens inderdaad malaria te hebben.
We hadden wekelijkse bijeenkomsten met alle vrijwilligers uit de omtrek. Ik merkte hoe heerlijk het was om weer even samen te zijn met mensen die dezelfde achtergrond hebben of jouw taal spreken. Daardoor begrijp ik nu ook de immigranten in Nederland goed. Want natuurlijk vinden zij het prettig om hier hun authentieke koffiehuizen te hebben en hun winkeltjes met producten uit hun vertrouwde land van herkomst. Wij snakten naar een stuk pizza, en als we in een grotere stad waren kochten we meteen een grote pot Nutella.”
Rond de laatste jaarwisseling waren Kelly en Muriel voor het eerst weer samen in Afrika. Kelly was wel al twee keer teruggeweest. Het liefst gaan ze er veel vaker kijken. “Maar een ticket kost 1000 euro. Je kunt daar met datzelfde bedrag zoveel doen. We halen nog niet voldoende geld op om daar ook tickets voor te betalen. Deze betalen we dus uit eigen zak.” Dat gaat hopelijk veranderen want hun inzet wordt beloond. Kelly’s vader, Peter R. de Vries is inmiddels ambassadeur van Meet Kate. Hij schrijft op de website van de stichting: “Sinds de oprichting heb ik de werkzaamheden van de stichting gevolgd en gezien hoe zij op eigen kracht de projecten hebben opgezet. Nu er letterlijk dingen in de steigers staan vind ik de tijd rijp om ze een handje te helpen.”…” Ik roep iedereen op om te helpen, zodat het Meet Kate Children’s Home er heel snel staat. Kom op, doe mee en steun Stichting Meet Kate!”
Ondertussen zitten de meiden in het derde jaar van hun studie Psychologie. Daarnaast werkt Kelly een aantal dagdelen op een sportschool, en Muriel bij een onderzoeksbureau. Kelly wil na haar bachelor graag de master ‘International Development Studies’ in de richting van’Children’s Rights’ volgen. “Ik heb echt gevonden wat ik wil. Ik ga uiteindelijk wonen en werken in Afrika. Dat weet ik zeker!
Muriel wil zich gaan specialiseren in Forensische kinderpsychologie. “Ik zet me in voor Meet Kate zolang ik kan. Binnenkort ga ik als uitwisselingsstudent naar New York om een master ‘Forensic Psychology’ te volgen. Want het liefst ga ik als kinderpsychologe in een jeugdgevangenis werken.” “Dat kan ook in Ghana”, knipoogt Kelly veelbetekenend.
Wie Meet Kate wil steunen kan donateur worden. Kijk op www.meetkate.nl
Gepubliceerd in weekblad Mijn Geheim 09/22
Moordjongens
augustus 23, 2009
’Ik kon naar ze luisteren, zonder over hun oorlogsdaden te oordelen’
Cultureel Antropologe Ginny Mooy (35) doet onderzoek naar voormalige kindsoldaten in Sierra Leone. Onlangs verscheen haar boek ‘Moordjongens’, waarin ze de waargebeurde ervaringen van twee kindsoldaten beschrijft. Inmiddels verwacht ze een baby van haar vriend Lansana, zelf ook een ex-kindsoldaat.
“Ik had een fascinatie voor oorlogsslachtoffers. Het verwonderde mij hoe sterk deze mensen waren om na een oorlog weer een leven op te bouwen. Kindsoldaten vond ik de meest extreme vorm van oorlogsslachtoffer zijn. In een interview op televisie vertelde een mevrouw dat er jaarlijks zo’n 300.000 kindsoldaten werden ingezet in de gewapende strijd. Er werd over gesproken alsof het moordmachines waren waarmee het nooit meer zou goed komen. Deze kinderen zouden in een cyclus van geweldpleging terechtkomen. De boodschap was duidelijk: zij kennen niets anders dan geweld. Ik dacht toen: hoe kan het dat we daar nooit iets over horen? Dan verwacht je toch berichten over geflipte kindsoldaten die zomaar met een geweer of kapmes ergens een hele schoolklas uitmoorden. Maar die dingen gebeurden daar kennelijk niet. In westerse landen wel. Hoe is dat mogelijk? Terwijl wij met z’n allen zo lekker normaal zijn, en zij zo ‘abnormaal’? Ik wilde weten wat er na de oorlog gebeurde met deze voormalige kindsoldaten.
Tijdens mijn studie Antropologie leerde ik een paar ex-kindsoldaten uit Sierra Leone kennen. Ze woonden achter ons, in een soort tussenfasehuis waar asielzoekers met een status wachten op een woning. Ik sprak met ze, en ging over kindsoldaten lezen. Ik merkte dat Sierra Leone een land was waar ik antwoorden kon vinden op al mijn vragen. Bij Antropologie sluit je je afstudeerveldwerk af met een veldwerkperiode. Voor mij was het duidelijk. Ik wilde werken met kindsoldaten en vertrok in 2006 voor vier maanden naar Sierra Leone.
Mijn onderzoeksmethode was echt participerende observatie, zoals dat heet in de antropologie. Dat betekent dat je met je onderzoeksgroep samenleeft, en er van binnenuit achterkomt wat speelt in hun leven. Zij stonden van hun kant ook open voor mijn onderzoek. Want als er een westerling komt met geld of mogelijkheden, klampen ze je vast, in de hoop dat je iets voor ze kan betekenen. Ik ging op basis van gelijkwaardigheid met de jongens om. Ik leefde hun leven en sloot al snel vriendschap met ze. Ze vertelden mij over hun gevoelsleven en deelden hun geheimen.
Ik kwam daar met een specifiek doel: ik wilde over hun oorlogservaringen horen. Het was vijf jaar na de burgeroorlog, dus de gebeurtenissen waren vrij vers. Binnen de samenleving werden de ex-kindsoldaten vaak met de nek aangekeken, en werd er niet openlijk over het gebeurde gepraat. De kinderen waren vaak een of beide ouders verloren, of banden met familie waren verbroken. Misschien was het voor de jongens ook makkelijker om de gruwelijke verhalen en ervaringen te vertellen aan iemand van buitenaf. Ze hadden deelgenomen aan onthoofdingen, verkrachtingen en amputaties. Ledematen, neuzen en oren van tegenstanders werden met hakmessen afgehouwen. Sommige strijders aten zelfs lichaamsdelen en dronken bloed van hun verslagen vijanden. Ik kon naar deze verhalen luisteren zonder over hun oorlogsdaden te oordelen.
In mijn later verschenen boek ‘De wil om te doden’ beschreef ik hoe een kind veranderde in een moordenaar. ‘…De negenjarige Junior kijkt toe hoe Rebel King met één haal van zijn machete het hoofd van Juniors vader afhakt. De rebellen zijn uitzinnig. Terwijl ze krijsen en springen van opwinding moet Juniors moeder voor hen dansen. In haar handen draagt ze het afgehakte hoofd van haar echtgenoot…’
Zes jaar later: ‘…Diep in de bush leidt Junior zijn Zebra Unit van vijftig kindsoldaten door vijandelijke linies. Geroutineerd hakt de nu vijftienjarige ‘Generaal Shed Blood’ het hoofd van een van zijn gevangenen af. Rustig kauwt hij op het in gin gedrenkte hart terwijl zijn jongens zich te goed doen aan het vlees en de lever. Het bloed bewaart hij voor de volgende ochtend…’
General Shed Blood is nu een normale charmante jongen die goed het verschil kent tussen oorlog en vrede.
De meeste jongens die ik sprak hebben geen oorlogstrauma. Dat komt doordat ze tijdens het vechten constant onder de drugs zaten. De cocaïne werd rechtstreeks het hoofd ingespoten, en daarnaast werd al het eten met marihuana bereid. Ze waren de hele dag knetterhigh en zopen ook nog veel. Die voortdurende roes maakt dat hun herinnering aan alles wat ze hebben meegemaakt vaag is. In een land als Soedan hebben ook veel kinderen deelgenomen aan oorlogshandelingen. Maar zij vochten niet onder invloed van drugs. Door hun levendige herinneringen hebben zij het veel moeilijker om hun leven weer op de rails te krijgen.
Het ‘geluk’ voor de kindsoldaten uit Sierra Leone is ook dat ze achteraf konden zeggen: ik was mezelf niet. Ik was een willoze slaaf want onder invloed van drugs. Dat was voor hun een manier om niet de verantwoording voor hun daden te nemen.
Na de oorlog hebben ze natuurlijk te maken gehad met ontwenningsverschijnselen die ze keihard hebben moeten doorstaan. De meesten hebben daar nu geen last meer van. Wel merk je dat ze vaak lijden aan concentratiestoornissen en daardoor leerachterstanden hebben. Hun hersenen hebben een flinke optater gekregen. Er zijn ook jongens bij die nog steeds verslaafd zijn en in de criminaliteit terecht zijn gekomen. Zij hebben hun leven totaal niet op orde. Drugsopvang in Sierra Leone bestaat niet, en al helemaal geen methadon.
De eerste week kreeg ik al een relatie. Ik kwam op maandagavond aan en leerde Lansana (26), ook ex-kindsoldaat, op dinsdagochtend kennen. De eerste vraag die hij me toen stelde was: “Heb je er wel eens aan gedacht om ooit een relatie met een zwarte man te beginnen?” Ik antwoordde: “Waarom niet, ik zie geen kleurverschil. Maar ik ben hier niet gekomen voor een romance.” We hadden al contact met elkaar gehad toen ik nog in Nederland was, omdat hij mijn onderzoeksassistent zou worden. “Hoe gaan we elkaar herkennen?”, hadden we ons beiden afgevraagd, waarop we elkaar een foto mailden. Ik belde hem vervolgens op waarop hij tien minuten lang alleen maar bleef stamelen: “Oh, you are so beautiful, you are so beautiful…” Ik dacht: dit gaat echt niet goed.
Toen we elkaar voor het eerst in Sierra Leone ontmoetten was hij helemaal onder de indruk van mij. Maar ik had echt geen tijd voor een relatie. Ik moest daar zoveel doen in die vier maanden. Ik was altijd al een zeer gedreven student. Mijn ex-vriend ging na een relatie van zes jaar bij me weg omdat ik alleen maar met mijn neus in de boeken zat. Zo saai. Ook nu was ik enorm gefocust op mijn doel. En als ik iets met iemand zou beginnen, dan zeker niet met mijn onderzoeksassistent. Maar op zaterdag was het zover. We kregen een relatie, maar werden ook hele hechte vrienden.
De manier waarop ik onderzoek naar voormalige kindsoldaten doe is heel erg pittig. Ik duik helemaal in hun leven en het gaat continu over oorlog. Over de gruweldaden die de jongens hebben gepleegd. Vaak ook onder dwang, want wie weigerde werd zelf vermoord. Ze geloven nog steeds niet in de stabiele vrede, dus als er politieke onrust is in het land zijn ze meteen in paniek en bang voor oorlog. Dat is heel zwaar om mee te maken. Je moet het als onderzoeker ook zelf allemaal kunnen behappen wat ze vertellen: moorden, martelen, verkrachten. Maar Lansana en ik maakten dat samen mee en dat gaf ons een heel sterk gevoel van eenheid. Toen ik na die vier maanden terugvloog naar Nederland was het alsof er een arm bij me was afgehakt. Ik voelde me niet meer compleet.
Ongeveer een half jaar later vertrok ik voor de tweede keer naar Sierra Leone, en toen ben ik er gebleven. Ik besloot om promotieonderzoek te doen want er waren nog zoveel vragen in plaats van antwoorden. Maar daarnaast wilde ik ook graag iets voor ze te betekenen. Ik wilde iets terugdoen omdat ik ook iets nam. Daarom heb ik een jaar geleden de stichting Mind to Change opgericht die projecten gaat opzetten. Omdat ik niet precies weet hoe het is om in hun schoenen te staan vroeg ik ze: “wat hebben jullie nodig?” Er is vooral behoefte aan praktische hulp zoals de mogelijkheid om een vak te leren of een scholing te doorlopen. Zodat ze zelf een stabiel en zelfstandig leven op kunnen bouwen met werk, een huis en een vriendenkring. De meeste jongens wonen als huisknecht bij hun eigen familie, of bij een vreemde familie in. Ze doen de huishoudelijk klussen en kunnen daarnaast naar school. Al zijn ze zelf inmiddels geen kind meer, ze moeten wel naar de familie luisteren. Zodat ze opnieuw een sociaal referentiekader opbouwen dat ze lange tijd hebben gemist. Het is een betere leefsituatie voor ze, dan dat ze met z’n allen in een opvanghuis zitten met alleen elkaars normen en waarden.
Ik heb zoveel van deze ex-kindsoldaten ontmoet, ik kan ze niet tellen. Ze komen uit verschillende dorpen en steden, maar de meesten wonen in mijn eigen woonplaats Bo, vijf uur rijden van de hoofdstad Freetown. Sommigen zijn weer normaal geaccepteerd door hun familieleden en hebben een fijne positie gevonden in de samenleving. Anderen worden nog steeds uitgekotst, en dat is de groep die ik wil helpen met de stichting Mind to Change.
Voor mijn promotieonderzoek heb ik een groep samengesteld van 25 jongens die ik blijf volgen met een harde kern van 10. De jongste is nu 17 jaar en de oudste 36. Er zijn intussen ook meisjes bij gekomen, want er zijn ook vrouwelijk kindsoldaten.
Van de meisjes wist ik dat ze ongeveer dezelfde ervaring hebben wat betreft vechten en hun rekrutering. Maar er komt een ander heel zwaar onderdeel bij, en dat is dat ze vrijwel allemaal seksueel zijn misbruikt. Er waren ook meisjes die dit misbruik op een gegeven moment als een soort handel gebruikten, om bepaalde situaties in hun voordeel te manipuleren. Door bij bepaalde mannen te horen, al was het hun verkrachter, kregen ze immers ook een stuk bescherming. En in sommige gevallen misschien zelfs een ‘beter leven’.
De jongens zeiden: “als je wrede kindsoldaten zoekt moet je bij de meisjes zijn, want die zijn het ergste van iedereen.” Een van de eerste verhalen die ik hierover hoorde was van een jongen die een vriendin had die ook in het leger zat. Als zij zich verveelde ging ze op seksuele rooftocht, laat ik het maar zo noemen. Dan ging ze met een stel meiden de wijken in om mannen te dwingen seks met ze te hebben, op een hele verschrikkelijke manier. Toen heb ik besloten: hier moet ik niks mee doen. Want ik begrijp het niet, en ga dat in zo’n korte periode ook niet begrijpen. Seksueel misbruik en seksuele manipulatie, en hoe dat in elkaar overgaat, is een onderzoek op zich. Als ik dat allemaal te snel ineens ga doen wordt het echt teveel voor me. Je moet je onderzoek ook afbakenen. Ik heb nu 10 meisjes en daar hou ik het bij.
Waar mijn speciale interesse naar oorlog vandaan komt weet ik eigenlijk niet. Ik herinner me wel dat mijn vader op een gegeven moment heel erg kwaad werd omdat ik, samen met mijn broer en zus, oorlogje aan het spelen was tijdens Dodenherdenking. Dat maakte mij nieuwsgierig, want wat was er zo bijzonder aan? Er werd bij ons thuis niet alleen veel aandacht besteed aan de oorlog, maar ook aan racisme. Mijn moeder is na de oorlog geboren, en kwam op haar derde jaar uit Indonesië naar Nederland. Mijn vader is Nederlands, dus ben ik Indisch.
Mijn moeder zei vroeger altijd tegen mij: “Denk erom, ten eerste ben je vrouw, dus er zal van jouw twee keer zoveel worden verwacht dan van een man. En ten tweede: je bent een kleurling. Dus je zal altijd heel hard moeten werken om jezelf te bewijzen. Daar is in mijn opvoeding altijd veel nadruk op gelegd.
Ik voelde me niet thuis in Nederland. Op de basisschool in Amsterdam werd ik met mijn zusje altijd in groepjes gezet met de allochtone kinderen. En toen we naar Almere verhuisden kregen we automatisch een plekje aan het tafeltje met de Vietnamese bootvluchtelingen. De Nederlandse kinderen zaten aan andere tafeltjes bij elkaar. Als klein kind heb je niet door dat je anders bent dan andere kinderen. Totdat het uitschelden begint en de rare opmerkingen. Ik werd voor ‘blauwe’ uitgescholden en voor ‘poepchinees’. Dan sta je opeens overal buiten. En hoe zeer je ook je best doet om gewoon Nederlander te zijn, je blijft voor Nederlanders toch altijd een buitenlander. Dat idee heb ik altijd gehouden.
Maar ik heb misschien de pech dat ik op een Marokkaan lijk. Dat merkte ik vooral na de dood van Pim Fortuyn. Ik werd en wordt uitgemaakt voor ‘kankermarokkaan’, en ook weleens voor ‘kutturk’. Mensen wilden in de tram niet naast mij zitten. En na de moord op Theo van Gogh ben ik weleens in het openbaar vervoer door mensen in mijn gezicht gespuwd en aan mijn haren getrokken. Nee, je wilt geen Marokkaan zijn in Nederland, echt niet. Maar Marokkanen doen het zelf ook. Zij zagen mij weleens aan voor een Marokkaans meisje zonder hoofddoek, en riepen dan: hee, blanke hoer!
Nu ik veel in Afrika ben en dus vergelijkingsmateriaal heb, merk ik ook dat het levensritme hier in Nederland minder goed bij me past. In Afrika kan je best om zeven uur in de ochtend iets afspreken, maar verwacht niet dat ik er dan keurig netjes bij zit. Dan liggen we allemaal een beetje zo…het leven is daar veel gemoedelijker.
Hier gaat het allemaal om de buitenkant en de schone schijn. Mensen hebben niks menselijks meer, dat poetsen we allemaal weg. We gaan niet met ongekamde haren en zonder make-up naar de supermarkt. Alles wat menselijk is wordt binnenshuis gehouden. Zelfs in relaties vind ik dat mensen veel toneelspelen naar elkaar. Lijnen, onzekerheid over het uiterlijk, elkaar controleren. Je moet spannend blijven en interessant. Ik ken maar heel weinig mensen die het achterste van hun tong laten zien binnen de relatie. Mijn vriend kent wel echt al mijn nare trekjes. Nee, die schone schijn ophouden, dat heb ik niet zo.
In Sierra Leone is weinig schaamte en perfectionisme. De mensen van ‘mijn klasse’ zijn wel heel erg gericht op de prestaties van de kinderen. Als je de mogelijkheid hebt om naar school te gaan, ga je in je vrije tijd naar een debatclubje. Maar ze stimuleren het op een relaxte manier en je mag zoveel fouten maken als je wil. Als je in Nederland iets doet moet je van tevoren al weten dat je het voor 100% perfect gaat doen. Dat vind ik heel vermoeiend. Wat ik zo heerlijk vind in Afrika is: je zit in het openbaar vervoer en een meisje achter je begint zomaar te zingen. En dan gaat een ander meezingen. Als je dat hier doet vinden ze je meteen een idioot. Dat is Nederland. Benauwend. Je kan niet experimenteren met jezelf want alles wordt je aangerekend.
Maar heilige huisjes bestaan niet voor mij. Dus op mijn weblog ben ik lekker aan het experimenteren. Mensen mogen alles van me weten. Ik ben niet perfect en zo wil ik me ook niet voordoen.
Het liefst schrijf ik over gevoelens of gebeurtenissen waarvan ik denk dat heel veel mensen ze hebben, maar er niet zo openlijk over durven te praten. Ik ben een aansprekend rolmodel voor vrouwen, ook vanwege mijn uiterlijk, en zie het als een taak om ze aan het denken te zetten. Ik vind het heerlijk om ponerend te schrijven over onderwerpen zoals porno, pijpen of hoerenlopen en lekker tegen een zeer been aan te trappen. Dat is mijn schrijfstijl, ik ben ook niet van de nuance ofzo.
Hoewel…Sierra Leone heeft me wel iets zachter gemaakt. Ik had echt zo’n scherpe Hollandse tong. Je dropt een stelling en dan volgt er een zwart-wit discussie. Dat kennen ze daar niet. Ik heb geleerd dat een scherpe tong ook heel onhebbelijk is en veel open discussie in de weg staat.
Ik krijg veel positieve reacties op mijn blog, maar ook hatemail. “Negerhoer, rot op naar je bananeneiland, anders pakken we je. We weten je te vinden.” Ik laat deze dreigementen expres staan zodat mensen kunnen zien dat het echt gebeurt. Op het politiebureau zeiden ze dat je mensen mag bedreigen. Dat is blijkbaar niet verboden voor de wet. Pas op het moment dat iemand je iets aandoet grijpen ze in. Nu ben ik zelf gelukkig niet bang aangelegd. Maar stel dat je uit angst niet meer je huis uit durft?
Omdat mijn nieuwe boek uitkwam ben ik nu weer even in Nederland. ‘Moordjongens’ heb ik geschreven voor jongeren, gebaseerd op waargebeurde verhalen. Ik heb de jongens in Sierra Leone gevraagd hoe ze hun ervaringen aan 12 of 13-jarigen zouden vertellen. Dat zijn ook de woorden en voorbeelden die ik in het boek heb gebruikt, en dat is best pittig. Ik vond het belangrijk om hun boodschap hier naartoe te brengen. Als antropoloog en schrijver wil ik de wereld laten weten wat er speelt. Mijn grootste talent is dat ik hele ingewikkelde dingen kan reduceren tot iets heel simpels. Zo kan ik zelfs kinderen iets duidelijk maken.
Inmiddels ben ik viereneenhalve maand zwanger van Lansana. Eerst wilde ik nooit kinderen, maar met hem wel. Hij heeft het geluk gehad nooit te hoeven vechten. Omdat hij kon lezen en schrijven deed hij tijdens de oorlog administratief werk voor het rebellenleger. Maar desondanks zag hij wel de meest verschrikkelijke dingen. Daardoor heeft hij een probleem met vertrouwen zoals alle Sierra Leonezen, en hij is bang dat er opnieuw oorlog komt. Ik vind dat hij in sommige situaties te heetgebakerd reageert, en zich erg aan mij vastklampt. We moeten net als zoveel mensen leren omgaan met onze verschillende achtergronden, maar hij is vooral erg lief.
We willen het liefst in Afrika blijven wonen, want we werken allebei met ex-kindsoldaten, en die zijn voornamelijk daar. Ik vind het leven in Afrika veel aantrekkelijker dan in Nederland. Ook voor kinderen, mits ze ouders hebben met geld. Alleen is de gezondheidszorg daar helaas lang niet zo goed als hier.
Wat voor een moeder ik ga worden? Ik heb geen flauw idee. Misschien wordt ik wel heel betuttelend en beschermend. Ik heb zelf een goede opvoeding gehad. Maar de manier van stimuleren: mijn moeder leerde me al lezen toen ik vier jaar oud was, mag best een tandje minder. Want ondanks dat ik er veel aan heb gehad, heb ik dat ook als een druk ervaren. En nog steeds. Als ik mensen zie met een relatief eenvoudig beroep en een leuk inkomen zoals bijvoorbeeld schoonheidsspecialiste, denk ik weleens: ik wou dat ik meer zo was. Want voor mij is het nooit genoeg. Als ik iets heb bereikt, moet ik weer een stapje hoger. Aan de ene kant fijn maar aan de andere kant ook doodvermoeiend. Ik ben altijd aan het werk.
Het lijkt me heerlijk om daar straks als ik moeder ben, minder tijd voor te hebben. Ik ben nu ook ontzettend moe, en heb al twee dagen niks gedaan zonder schuldgevoel. Normaalgesproken vrat het me op en nu denk ik: ik heb lekker gerust, dat is goed voor de baby.”
Ginny Mooy (35) is een in 2007 afgestudeerde Cultureel Antropoloog die in Sierra Leone onderzoek doet naar de ervaringen van ex-kindsoldaten. Ze leeft tussen de jongens, en heeft door dit intensieve contact hun vertrouwen gewonnen. Haar eerste boek ‘De wil om te doden’ gaat over kinderen die worden ingelijfd en verplicht om mee te vechten tijdens de burgeroorlog in Sierra Leone (1991-2002.) Ze martelen, plunderen, verkrachten, verminken en doden de vijand.
In april verscheen haar tweede boek ‘Moordjongens’, geschreven voor jongeren vanaf 12 jaar. Het vertelt de waargebeurde ervaringen van twee kindsoldaten. Idrissa is elf jaar als hij door zijn oom wordt ingelijfd bij het rebellenleger. Als hij voor de eerste keer geconfronteerd wordt met het doorgeladen geweer van de vijand, is hij doodsbang en schiet hij zonder te kijken. Daarna is doden niet moeilijk meer. Onder invloed van drugs wordt hij een wrede generaal, die andere kinderen dwingt om mee te vechten.
Jim is zeven als hij moet toekijken hoe zijn moeder door rebellen wordt doodgeschoten. Als hij later tijdens gevechten aan zijn moeder denkt, wordt hij zo razend dat hij moeiteloos het ene na het andere slachtoffer maakt. Zo wordt hij een van de meest gevreesde krijgers in zijn eenheid, en beschermt hij andere jongens tijdens de gevechten.
Na jaren vechten komen de twee jongens terecht in een tehuis, waar ze ontwapend worden, en hun moeizame integratie in de naoorlogse samenleving begint. Zonder geweer zijn ze machteloos, en weten ze niet hoe ze zich staande moeten houden. List en bedrog worden hun wapens, terwijl ze diep in hun hart niets liever willen dan geaccepteerd worden en erbij horen.
Als je ‘De Wil om te Doden’ en/of ‘Moordjongens’ via de website www.mindtochange.nl bestelt, gaat de volledige opbrengst naar de stichting Mind to Change.
Gepubliceerd in weekblad Mijn Geheim 0926
Moedige moeders
augustus 23, 2009
‘Ik was verslaafd aan mijn eigen zoon’
‘Jarenlang heb ik Mark gepamperd. En nog steeds maak ik dagelijks zijn brood klaar, terwijl hij nu toch al bijna zeventien is. Joyce, mijn dochter was veel zelfstandiger, en deed dat soort dingen op die leeftijd allang zelf.
Mark was een druk kind. Zo’n jochie die met een klein winkelkarretje door de supermarkt racet en tegen andermans enkels loopt op te botsen. Zet hem niet te dicht bij de schappen, want anders rollen even later de potten met jam en pindakaas door het gangpad. En je moest hem niet kwaad maken. Dan kon hij zomaar iets vernielen in zijn kamer. Hij was wel een hele goede slaper. Als ik hem moest wekken deed ik dat heel voorzichtig, want anders werd hij chagrijnig. Mijn dochter kon ik zo uit bed trekken, kleren aandoen en hup, mee naar buiten nemen. Maar bij hem deed ik eerst zachtjes het raam open. Dan rommelde ik wat in zijn kamer, zodat hij langzaam wakker kon worden. Doordat hij altijd snel boos werd, gaf ik hem best wel vaak zijn zin. Ik ben normaalgesproken helemaal niet conflictvermijdend, maar bij hem was ik dat wel. Ik zag toen al dat hij grenzeloos was. Daardoor ben ik hem meer gaan verzorgen. En misschien deed ik het ook wel uit schuldgevoel. Want voordat hij geboren was wist ik eigenlijk al dat ik in een fout huwelijk zat.
Ik was achttien jaar toen ik verkering kreeg, en eenentwintig toen ik trouwde. Eigenlijk wordt je zo samen volwassen. Maar mijn ex had een drankprobleem. Ik heb daar erg tegenaan geschopt, maar aan de andere kant heb ik dat patroon zelf ook in stand gehouden. Ik ging hem verzorgen alsof hij mijn kind was. Ik smeerde zijn brood, deed zijn was, streek z’n kleren en zorgde dat zijn eten op tijd op tafel stond. Precies zoals zijn moeder altijd voor hem had gedaan. Ik kende de achterliggende problemen waardoor hij dronk, en vond dat heel erg voor hem. Maar toch hoopte ik dat hij er op een dag mee kon stoppen. Was het niet voor mij, dan misschien voor onze kinderen. Maar dat lukte niet.
Thuis dronk hij iedere avond een biertje of zes. In het weekend begon hij al om twee uur ’s middags. Het wende wel, maar ik vond het geen goed voorbeeld voor de kinderen. Zelf kon ik nooit iets drinken op een feestje, want ik moest altijd rijden. Uiteindelijk ging ik nergens meer met hem naartoe, uit angst voor zijn gedrag. Zijn drankmisbruik ging mijn leven beheersen. Ik ben twintig jaar getrouwd geweest, en heb er zeker vijf jaar over gedaan voordat ik definitief besloot om van hem te scheiden. Ik klampte me vast aan mijn vertrouwde leventje. We hadden hier in Castricum een prachtige vrijstaande woning, een mooie auto, twee Shetlanders en mijn dochter had een eigen paard. Ik had wel het gevoel dat mensen ook een beetje tegen mij opkeken. Dat materiele laat je niet zomaar los.
Maar op een dag was ik het zó zat. Het was koninginnedag, en iemand zei tegen mij: “Anita, wat zie jij er ongelukkig uit!” Ik schrok dat het al zover was dat ook anderen dat aan me zagen. Ik dacht: Dit is de bijl die ik nodig heb om de knoop door te hakken. Ik ben jarenlang over mijn grenzen gegaan. Nu kap ik ermee.
Na de scheiding was ik heel verdrietig. Je weet niet zo goed waar je terecht komt, dus ik was ook angstig. Gelukkig vond ik een leuk huis en kon ik een goede financiële regeling treffen met mijn ex. Wat dat betreft had ik geen klagen. Maar tussen mij en Joyce, die toen zestien was, ging het heel erg botsen. Een half jaar later trok ze bij haar vader in. Ze kwam in de weekenden wel bij mij, maar toch vond ik dat heel erg. Het was alsof ik gefaald had als moeder. Ze haalde ondanks al die onrust toch haar middelbare schooldiploma. Daarna ging ze een beroepsopleiding doen op niveau 4. Echt heel knap. Zij gíng er echt voor! Maar bij Mark liep alles heel anders…
Hij was pas twaalf jaar en gewend om ieder weekend met zijn vader te karten. Je kent het wel, in zo’n raceautootje scheuren op een kartbaan. Hij kartte op hoog niveau, won veel prijzen en is zelfs Nederlands kampioen geweest. Hij was er heel gedreven in en had er alles voor over. Maar mijn ex had mij altijd al gedreigd: “Als je bij me weggaat is het meteen afgelopen met het karten, en gaat het paard de deur uit.” En ja hoor, hij hield zijn woord.
Mark zijn grote passie viel weg. Wel zat hij om het weekend bij zijn vader, waar alles natuurlijk weer anders was dan bij mij. Hij maakte daar ook nare dingen mee, zoals dat zijn vader bijna onder een motor kwam omdat hij teveel had gedronken. Dan werd ik gebeld: “Pappa is weer dronken mam. Kom je me ophalen?” Ik dacht dat ik door te scheiden van dat drankprobleem af was. Nu moesten mijn kinderen er mee dealen, en dat was triest.
Mark maakte in die tijd net de overstap naar het middelbare onderwijs. Het werd een agrarische school met leerwegondersteuning vlakbij huis. Ik kreeg wel signalen dat het niet lekker ging op school. Mark is een jongen die constant zijn grenzen verlegt. Een leerkracht zei het eens treffend: “Je loopt in een drukke winkelstraat met allemaal reclames, uithangborden, verkeersborden en een stoplicht. Wij zien dat stoplicht dat op rood springt. Mark niet. Hij ziet alleen al die andere dingen. Hij weet niet van stoppen.” Die jongen vond school vreselijk. “Wat moet ik daar? Ik heb er helemaal geen zin in!” Hij wilde het liefst lekker buiten op straat met z’n vrienden chillen. Vanaf dat moment heb ik hem eigenlijk een beetje laten gaan. Als de kinderen het maar leuk hadden, daar ging het mij om. Ik vergat helemaal hoe belangrijk structuur was. Juist voor hem!
Hij was net dertien toen ik een pakje lange vloeitjes in zijn jaszak vond. Ik was helemaal in paniek. Hij gebruikt drugs, wat nu? Samen met mijn dochter ben ik naar de verslavingszorg gegaan om me te laten informeren. Mark wilde zelf niet mee. Ik had zoveel vragen. Wat doen drugs met je? Wat hoort bij de puberteit? Hoe herken je of iemand heeft gebruikt? We hebben er anderhalf uur gezeten, maar toen we vertrokken voelde ik me eigenlijk met een kluitje in het riet gestuurd. De man die wij daar spraken zei: “Oké, het gen dat verslaving veroorzaakt zit in uw familie. Vergeleken met mensen zonder dat gen heeft hij twintig procent meer kans om in het druggebruik door te slaan. Daarbij vertoont hij ook een grenzeloos ADHD-achtig gedrag. Dat versterkt die kans ook nog eens met twintig procent. Maar ach, iedere jongere experimenteert wel eens. Ik heb zelf ook alles uitgeprobeerd, zodat ik weet wat die jongeren ervaren. Mevrouw, ik wil uw bezorgdheid niet bagatelliseren. Maar ga eens samen met hem een blowtje proberen, zodat u beter begrijpt wat het is.” Maar daar had ik helemaal geen zin in! Thuis heb ik alles aan Mark verteld en het vanaf dat moment eigenlijk maar een beetje oogluikend toegestaan.
En dan zie je hem thuis komen met rode ogen. Je gaat hem betrappen op leugens. Je vind lege weedzakjes. Ik wilde op een gegeven moment niet meer dat hij met een bepaalde jongen omging omdat ik dacht dat die vriend slechte invloed op hem had. Later hoorde ik op zijn school dat het juist míjn zoon was die andere kinderen meetrok. Als moeder wil je dat eerst niet zien. Ik had er veel eerder een halt toe moeten roepen. Maar hoe pak je zoiets aan? Ik wist het niet.
Hij bleef het eerste jaar van het VMBO zitten want hij had geen klap uitgevoerd en zijn gedrag was slecht. Omdat zijn ouders waren gescheiden wilden ze hem toch nog een kans geven. Ik drukte Mark op zijn hart: pak die kans! Maar het mocht niet baten. Zijn kliergedrag bleef, dus moest hij naar een school voor kinderen met zware leer- en gedragsproblemen. Daar zat hij tussen kinderen die met hun hoofden tegen de muur aansloegen. Ik vond dat hij daar absoluut niet thuishoorde. Gelukkig vond ik een andere school die het met hem wilde proberen.
Tot een leerkracht op een dag vertelde: “Mark komt zonder schoolspullen naar school, hangt in zijn stoel en doet helemaal niets meer. Zelfs het klieren is gestopt.” Wat bleek: hij zat gewoon knetterstoned in de klas! Ik kwam er ook achter dat hij veel spijbelde. Dan zag ik hem ineens door het dorp rijden onder schooltijd. Dat is gek, dacht ik dan. Hij heeft toch gewoon les op dit tijdstip? Iedere ochtend ging hij netjes op tijd de deur uit met zijn schooltas en gesmeerde boterhammen. Hij kwam stipt volgens de roostertijden thuis. Toen bleek dat hij al een week lang niet op school was geweest. Hij is van nature echt een goudeerlijke jongen, maar ik betrapte hem steeds vaker op leugens. Als ze verslaafd zijn worden ze daar zo bedreven in. Ik strafte hem en verbood hem naar buiten te gaan, maar dan ging hij toch. Dus dan moesten mijn vriend Leo en ik er weer achteraan, hem vastpakken en terugsturen.
Ik merkte dat het een wirwar was in z’n hoofd. Dan lag hij in bed en wilde hij dood. Of dan stond hij op de brug na een heftige ruzie met mij. Op een ochtend was ik glaswerk en servies uit de afwasmachine aan het halen. Plotseling ontplofte hij. Kleng! Hij gooide alles aan stukken. Er zat een reactie in dat lijf, dat moest eruit. Je merkte gewoon hoe hij veranderde. Ik wist toen nog niet dat hij ook al cocaïne gebruikte.
En toen kwam het allerergste. Leo en ik misten allebei geld, mijn dochter een telefoon, bij mijn ex was ook een smak geld verdwenen. Dan wil je daar niet aan. Zijn vader zal wel weer dronken zijn geweest en zijn geld niet goed geteld hebben, dacht ik nog. Maar op een gegeven moment kwam mijn ex thuis en stond de computer op rolex.nl. En ja hoor, uit zijn kluis was een Rolex verdwenen. Eerst had Mark gekeken hoeveel zo’n ding waard was en daarna had hij er een geklauwd. Ik dacht, nu gaat het echt bergafwaarts met mijn kind. Hij is net vijftien, en deze ellende is nu al twee jaar aan de gang. Plotseling belandde ik met beide benen op de grond.
Op internet las ik over de ‘Moedige Moeders’. Een initiatief van moeders van drugsgebruikende Volendamse jongeren. Deze vrouwen wilden niet langer lijdzaam toezien hoe de drugs hun kinderen ten gronde richtten. Ze organiseren bijeenkomsten waar ouders van verslaafde jongeren samen komen om met elkaar te praten. Er is koffie en thee, de ene lacht, de andere huilt. Je kan je verhaal kwijt, en ze komen met goede adviezen. Iedereen is welkom zonder vooraf een afspraak te maken, dus de volgende avond stond ik daar op de stoep.
Gary, de oprichtster zei tegen mij: “Je zoon is verslaafd, maar jíj bent verslaafd aan je zoon. Dat was zo’n oogopener. Ik begreep meteen wat ze bedoelde. Jarenlang had ik de verslaving van mijn ex in stand gehouden door hem steeds over mijn grenzen te laten gaan. Daar was ik nu met Mark ook mee bezig.
Ik heb speekseltesten mee naar huis genomen die op zes soorten drugs test. “Mark, wil je op druggebruik getest worden?” “Ja hoor, kom maar op.” Hij deed het stokje in zijn mond. Als je clean bent verschijnen er streepjes. Komen er op bepaalde plaatsen geen streepjes, dan heb je dat middel gebruikt. Bij THC bleef het al hangen. Maar toen ook bij cocaïne! Mijn wereld stortte in.
Toen heb ik alle ouders van vriendjes gebeld en uitgenodigd om hier thuis langs te komen. Ik heb ze verteld dat mijn zoon blowde en coke gebruikte, en dat hun kinderen met hem omgingen. Ik heb ze testen aangeboden en verteld over Moedige Moeders. “Doe er mee wat jullie willen.” Maar de ouders reageerden zoals ik had verwacht: “Ja, dat Mark gebruikt, daar kijken we niet van op. Maar onze kinderen doen dat niet. Nee, wij zijn niet verslaafd aan onze kinderen. Wat een harde uitspraken zeg.”
Maar ik wist dat die kinderen gebruikten. Ik wilde de boel hier in het dorp opengooien, net als Gary indertijd had gedaan in Volendam. Het is geweldig dat daar een moeder was die opstond en zei, nu erkennen we het probleem, we steken de koppen bij elkaar en gaan er iets aan doen. De Volendammers vinden dat ze negatief op de kaart staan, omdat iedereen nu weet dat daar veel drugs worden gebruikt onder de jeugd. Maar hier in Castricum is het precies zo. En ze kunnen er zo makkelijk aan komen. Ze bestellen een weedtaxi. Dan komt er een zwarte Golf voorrijden bij je hangplek, en die heeft alles bij zich. Weed, paddo’s, pilletjes, coke.
Ik sprak met Mark af, je stopt definitief in januari en ik ga je wekelijks testen. Ik ga voor steun iedere week naar Moedige Moeders en jij gaat naar een groep voor jonge druggebruikers, de NA (Narcotics Anonymous) in Volendam. Hij is daar twee keer geweest, maar voelde zich er niet thuis. Hij deed het liever op eigen kracht. Ik zei: ‘Oké, Die kans krijg je. Je hebt tot januari de tijd, anders zoek ik een kliniek voor je.”
Ik weet niet hoe hij het heeft gedaan, maar hij heeft de kracht gevonden. Hij is eerst helemaal uit die vriendengroep gestapt waar hij mee gebruikte. Dat is moeilijk in zo’n kleine gemeenschap, want je komt elkaar overal tegen. Die jongens reden hier voorbij het huis en stuurden mij bedreigende sms-jes zoals: “Hey, je moet je mond houden moedige moeder.” Ja, ik was natuurlijk wel degene die het naar buiten had gegooid en hun moeders had gesproken.
We hebben hem aan het werk gezet in het tuindersbedrijf van mijn zus in Heemskerk. Hij moest iedere zaterdag heel vroeg op. Eerst bracht ik hem nog met de auto. Tot mijn zwager zei: “Laat die jongen toch zelf fietsen. Bekaf moet hij worden!” Ik beheerde zijn geld en verder moest hij binnenblijven.
Mark was verschrikkelijk eenzaam in die tijd. Hoe vind je nieuwe vrienden met de naam dat je drugs hebt gebruikt? Er waren ouders die ongerust waren en niet wilden dat hun kinderen met hem omgingen. Dat begreep ik best. Ik ben die mensen gaan bellen en heb ze gezegd: “Mark is juist het veiligst om mee om te gaan, want door de testen weet ik dat hij clean is.”
Hij heeft het heel zwaar gehad. Er waren momenten dat hij zo radeloos was, dat hij niet wist of hij nog wel wilde leven. Dat is wat drugs doen. Terwijl het zo’n mooi joch is. Hij is geen prater, maar heeft in die periode wel veel van zich af kunnen schrijven.
‘Je bent pas twaalf en je ouders gaan uit elkaar, dat is best moeilijk, maar ze passen niet meer bij elkaar…van het een kwam het andere, mijn moeder zag hoe ik veranderde…ik ging stoer roken, en steeds meer jointjes smoken…mijn moeder wist van niks, maar ik had me duidelijk vergist, mijn ma die had allang wat door, maar liet me gaan, en dat leidde tot het verkeerde spoor…’
Ik had hem in het diepe gegooid terwijl hij nog niet kon zwemmen. Hij heeft best wel aangegeven, “mam, ik kan het niet”. Maar ik wilde het niet zien. Want dan moet je de confrontatie aangaan en krijg je conflicten in huis. En die had ik net al zoveel gehad met mijn ex.
Inmiddels is hij ruim een jaar clean. We testen hem minimaal 1 x in de 6 weken. Zodra ik verandering zie praten we erover. Hij droomt nog regelmatig dat hij drugs gebruikt. Bij Moedige Moeders noemen ze dat: “het beest is nog niet van zijn schouder af. Dat kijkt nog mee.” En hij heeft ook nog trek in blowen. Laatst biechtte hij op dat hij toch weer twee trekjes had genomen van een jointje. Ik heb hem beloond voor zijn eerlijkheid, en we hebben er uitgebreid over gepraat. Maar als dat vaker gebeurt moeten we hulp van buiten halen. Want dan laat hij zien dat hij het niet alleen kan.
Gaandeweg krijgt hij weer wat meer vrijheid en vertrouwen terug. Misschien iets teveel. Dat merk je doordat hij weer dingen probeert af te dwingen met een grote mond. Dan moet je hem terugfluiten en weet je dat er weer conflicten komen. Zoals die keer dat Leo en ik een weekend waren weggeweest, en ik bij thuiskomst lege drankflessen in de afvalbak vond. Drie flessen likeur, een fles Smirnoff, lege kratten bier, en verder was zo’n beetje onze hele drankvoorraad opgedronken. Ik dacht: Nee, dat wil ik niet! En afgelopen woensdag wilde hij met vrienden gaan drinken, maar doordeweeks heb ik alcohol verboden. “Maar mam, het is herfstvakantie!” “Kan me niks schelen. Dit is mijn grens, klaar!” Mark rijdt nu scooter, maar laatst rook ik dat hij een biertje had gedronken. Ik heb hem gezegd: “Als dat nog één keer gebeurt rijd ik die scooter eigenhandig de sloot in.” En dat doe ik ook. In het weekend mag hij wel drinken, maar er zijn daarin wel grenzen wat wel mag en wat niet. Hij wordt zo wel gedwongen om clean te blijven, maar op dit moment is dat voor ons de manier die werkt.
In de zomer mocht hij als hij een goed rapport had vijf dagen met zijn vrienden naar Terschelling. Doodeng. Testje voor die tijd, en testje erna. Hij heeft het daar flink moeilijk gehad, want bijna iedereen op die camping blowde. Maar het is hem wel gelukt.
Gelukkig heeft hij inmiddels beter geleerd om te praten over zijn gevoelens. En langzamerhand komt dat eerlijke jongetje weer terug. Dat beloon ik door te zeggen hoe trots ik op hem ben. Laatst waren we op de Bakkummer kermis. Komt er een vader naar me toe. “Goh, wat zul je trots op die jongen zijn.” En daar staat Mark dan bij te glimmen. In plaats van dat hij bekend staat als een druggebruiker is hij nu een voorbeeld geworden voor anderen in het dorp. Hij heeft nu een hele leuke vriendenkring. Allemaal jongens met scootertjes, harde werkers, eerlijk, stuk voor stuk. Ze kennen zijn verleden en zeggen: “Als je weer gaat gebruiken slaan we je op je bek!”
En ik? Na zo’n periode ben je zelf gesloopt. Zonder de steun van Joyce en Leo had ik het waarschijnlijk niet eens volgehouden. Ik kon er eerst ook niet zo rustig over praten. Dan ging ik helemaal trillen in mijn lijf van de ingehouden emoties. Ik was verslaafd aan mijn eigen zoon. Maar gelukkig herken ik nu de patronen en heb ik een manier gevonden om daar mee om te gaan. We zitten nu in rustig vaarwater. Eindelijk kan ik me ook weer meer op Joyce concentreren, want dat was er flink bij ingeschoten.
Ik weet: uiteindelijk moet je je kinderen liefdevol loslaten. Dan moeten ze het zelf doen. Mark kan altijd bij me terecht, maar hij komt mijn leven niet meer in met een verslaving. Daarvoor hou ik teveel van hem.”
’Maar gelukkig ben ik er weer boven op,
en heb ik geen gezeur meer aan me kop,
Het is een grote opluchting,
maar ik had in het begin al door, dit is niet mijn ding.
Ik ben blij dat je me geholpen hebt, je bent een top moeder!
en nogmaals bedankt voor het helpen afblijven van het poeder.’
(laatste couplet uit raptekst van Mark: ‘Brief aan mijn moeder’)
gepubliciceerd in weekblad Mijn Geheim 08/49 Voor meer informatie: www.moedigemoeders.nl
Een dodelijke combinatie
augustus 23, 2009
Seksueel misbruik komt steeds meer voor in Zuid-Afrika. Maar ook HIV!
Mathijs (26) werkte een half jaar met seksueel misbruikte kinderen bij het hulpproject Bobbi Bear. Hij had van te voren niet kunnen bedenken dat hij zó betrokken zou raken. “Ik heb twee families nu. Hier én in Zuid-Afrika.”
“Ik kom uit een ideaal gezin met een zus en fijne ouders. Juist door mijn vlekkeloze jeugd voelde ik de behoefte om anderen iets terug te geven. En het liefst daar waar de nood het hoogst is.” Mathijs Hoogstad studeerde twee jaar geleden af als basispsycholoog. Hij schreef zijn scriptie over kinderen met HIV, en wilde graag iets doen met de kennis en vaardigheden die hij tijdens zijn studie had opgedaan. Hij werkte zes maanden als vrijwilliger bij Bobbi Bear, een project in Zuid-Afrika dat zich inzet voor seksueel misbruikte kinderen. Er wordt noodhulp geboden, maar ook lange termijn hulp en nazorg.
Mathijs woonde tijdens zijn verblijf bij het gezin van Jackie Branfield, de oprichtster van Bobbi Bear. Jackie ontwikkelde een methode die gebruik maakt van de Bobbi Bear knuffel. Met behulp van deze knuffelbeer, een stift en pleisters kunnen de vaak zeer jonge slachtoffers laten zien wat hun is aangedaan. Door hun ervaringen op de beer te tekenen en te schrijven, hoeven ze niet naar hun eigen lichaam te verwijzen. Zo kan verdere vernedering en herbeleving worden vermeden. Het kind kan de juiste medische behandeling krijgen, beter worden geholpen met de verwerking van het trauma, en de beer kan fungeren als bewijsmateriaal waardoor de dader kan worden berecht.
“Seksueel misbruik komt steeds meer voor in Zuid-Afrika, maar ook HIV. Een dodelijke combinatie”, vertelt Mathijs. “Een kind dat slachtoffer is van seksueel misbruik moet daarom zo snel mogelijk naar een ziekenhuis voor een anti-HIV kuur. Bij jonge kinderen met inwendige bloedingen, waarbij het misbruik al langere tijd plaatsvindt, is de kans op besmetting groot. Maar het is het enige middel wat eventueel zou kunnen helpen.”
Wanneer iemand een geval van misbruik ontdekt, wordt in veel gevallen Bobbi Bear ingeschakeld. De medewerkers begeleiden het kind tijdens de aangifte op het politiebureau en bij het krijgen van de noodzakelijke medische hulp in het ziekenhuis. Dat zijn vaak de eerste momenten dat gebruik wordt gemaakt van de Bobbi Bear knuffel. Zo’n ‘point of rescue’actie kan op elk moment van de dag plaatsvinden. Dus ook ’s avonds, als het al donker is en veel taxi’ s niet meer rijden. “Vaak deed Jackie dat, tot ik aanbood om dat te doen. “Blijf jij maar thuis, jij werkt al 24 uur per dag op volle kracht”, zei ik in mijn naïviteit. Ik wilde haar graag ontlasten, maar het bleek een te grote impact. Je gaat met het kind naar het politiebureau, dan naar het ziekenhuis en vervolgens breng je het kind thuis of naar een opvangadres. Dat kan alles bij elkaar wel zes uur duren. Dan rij je ’s nachts door een township met een meisje in de auto dat nauwelijks meer kan lopen door het seksueel misbruik wat een paar uur daarvoor heeft plaatsgevonden. Dat greep mij enorm aan. Na twee maanden dacht ik: dit hou ik niet vol. Ik lag echt wakker van wat kinderen vertelden, wat ze tekenden en wat ik zag. Dat werk moet je niet iedere avond doen, maar met anderen afwisselen. Ik ben toen veel gaan opschrijven. En ik ben ook op de zondagen gaan voetballen, net als hier in Amsterdam. Zo kon ik me fysiek ontladen en bakende ik mijn werk af.”
Bobbi Bear heeft een aantal vaste medewerksters. Deze Child Safety Officers (CSO’s) zijn meestal Zuluvrouwen uit de gemeenschap. Vaak komt een CSO uit dezelfde township als het kind wat zij begeleidt tijdens het onderzoek. De vrijwilligers werken nauw samen met de CSO’s. Zij spreken de taal, kennen de cultuur, en hebben de kennis en ervaring. Soms spreken kinderen Engels en kunnen de vrijwilligers zelf met ze praten. In andere gevallen kan de CSO vertalen. “Nee, gelukkig sta je niet alleen bij wat je doet”, vervolgt Mathijs zijn verhaal. “Want je hebt heel veel teleurstellingen en frustraties te verwerken. Zoals onbekwaamheid van mensen bij de betrokken instanties. In het interview bij de politie moeten hele specifieke vragen worden gesteld: is er vaker seksueel contact geweest, is er penetratie geweest, zijn lichaamsvloeistoffen uitgewisseld? Lang niet alle politieagenten zijn daarvoor getraind. Ze hebben meer te maken met overvallen, diefstal of moord. Op seksueel misbruik ligt een taboe. “Het meisje zal er wel om hebben gevraagd”, denkt men vaak. In het ziekenhuis moet je zorgen dat een kind zich veilig voelt, dus moet er steeds iemand in de buurt zijn. Maar ondertussen hol je ook door de ziekenhuisgangen om een arts te zoeken die lichamelijk onderzoek kan doen. In Zuid-Afrika betekent verkrachting alleen contact van de penis in de vagina. Penetratie met voorwerpen en orale en anale seks wordt gezien als aanranding. Misbruik is strafbaar, maar vaak ontlopen daders hun straf.
Ik begeleidde een keer twee vriendinnetjes van een jaar of veertien. Ze waren op die avond door dezelfde man verkracht. De dader werd even later door een woedende menigte neergeschoten. Bizar genoeg niet vanwege die verkrachtingen, maar doordat hij ergens een overval had gepleegd. Ik zat ondertussen met de meisjes in het ziekenhuis, samen met een CSO. Eén van de meisjes had heel veel pijn. We moesten wachten op de arts die het lichamelijk onderzoek zou doen. Toen werd plotseling die verkrachter op een brancard binnengereden. Op diezelfde afdeling! De meisjes schrokken natuurlijk enorm, maar ook de CSO. Zij kende die man namelijk uit haar eigen township. Hij woonde drie straten verderop. “Die man moet mij niet zien, want als hij straks vrijkomt kan hij mij gaan lastigvallen.” Binnen een week liep hij weer vrij rond. Hoe dat kon? Geen idee. Dan hebben ze eindelijk eens een keer een dader opgepakt…
Want je hebt te maken met corruptie en een overheidsapparaat wat niet goed functioneert. Er moeten getuigen zijn. De verklaring van het kind moet worden geloofd en niet worden ingetrokken omdat de dader het kind en de betrokkenen intimideert. Het komt ook vaak voor dat er überhaupt geen aangifte wordt gedaan. Een klein kind kan zelf geen aangifte doen. En de volwassene die naar de politie wil stappen moet de moed hebben om tegen de omgeving in te gaan. Maar stel dat de dader kostwinner is van het gezin. Dan staat een moeder voor een dilemma: zal ik kiezen voor rechtvaardigheid of liever voor onderdak en eten voor mijn andere vier kinderen? Als een kind misbruikt is door een vader of ander familielid kan het daarna niet meer terug naar huis. Er is dus enorme behoefte aan veilige adoptiegezinnen. Er zijn wel opvanghuizen van de overheid, maar de vraag is of je daar een kind wil laten opvangen. Ik heb er een paar gezien. Grote zalen, slechte bedden, afgebladderde muren, smerig sanitair en veel te weinig personeel. Daar wonen kinderen van verschillende leeftijden en met allerlei gedragsproblemen door elkaar. Kinderen met HIV overlijden in hospices. Dat is de realiteit van Zuid-Afrika en dat is keihard.
Ik heb het gezien. Een meisje dat helemaal in elkaar gedoken zit van angst. Een bang vogeltje dat niet kan of wil praten. Als het leed zo groot is, wat heeft zo’n meisje dan nodig? Veiligheid en warmte. Een knuffel. Je moet het wel afstemmen natuurlijk. Je kan niet als een onbehouwen boer zeggen: “kom maar meisje, hier ben ik.” Ik keek ook altijd goed naar hoe de CSO er in de situatie mee omging. Het gaat vaak om meisjes, maar ook jongens worden seksueel misbruikt. Dat taboe is nog groter. Maar het is voor beiden dramatisch. Er wordt inbreuk gedaan op je integriteit, op je lijf. Voor jongens kan het makkelijker zijn om het met een man te bespreken. Voor meisjes voelt dat soms misschien ongemakkelijk. Er was een keer een vierjarig jongetje waarbij het vermoeden was dat hij seksueel werd misbruikt. Omdat ik een man ben vroeg Jackie of ik dat wilde onderzoeken. In Nederland doe je zo’n onderzoek gestandaardiseerd met vragenlijsten en dergelijke. In Zuid-Afrika komt het aan op je improvisatietalent, intuïtie en onderling overleg. Als seksueel misbruik heeft plaatsgevonden kunnen kinderen bepaalde acties of bewegingen na gaan doen. Maar het kan ook zijn dat ze het gewoon fijn vinden om aan hun geslachtsdeel te zitten. Je moet dan inschatten in hoeverre bepaalde handelingen passend zijn bij de leeftijd. Dat vond ik lastig. Maar Jackie zei: “Je bent toch psycholoog? Ga het maar doen.”
Ik was overal inzetbaar. We gingen in die tijd verhuizen, dus hielp ik mee met inpakken en het opknappen van het nieuwe onderkomen. Ik begeleidde activiteiten zoals de speeldagen en gaf voorlichting op scholen. Ik ging een keer een presentatie geven op een school. De scholieren hadden nog nooit een blanke jongen van zo dichtbij gezien. Ze kwamen om me heen staan. Ik was zo’n fascinerend object. Van de presentatie kwam dus weinig terecht. Op de woensdagen was er altijd de Tree Clinic, een bijeenkomst onder een grote boom waar tientallen vrouwen en kinderen samenkomen. Daar wordt gezongen, gedanst en gebeden. Mensen kunnen hun verhaal kwijt, er worden donaties gegeven in de vorm van kleding, eten en speelgoed. De bijeenkomsten zijn gericht op vrouwenemancipatie en lotgenotencontact. Deze vrouwen, vaak alleenstaande moeders, dragen de maatschappij. Het zijn echt bikkels. Ze stralen zoveel inspiratie uit. Daar heb ik diep respect voor.
Bij die boom heb ik bij mijn afscheid mijn zulunaam gekregen: ‘Nkululeku’, wat openheid betekent, omdat ze vonden dat ik op die manier mensen in het contact benader. Ik kreeg een eigen outfit waarin ik moest zuludansen. Enerzijds vond ik het heel gênant want het zag er natuurlijk niet uit. Maar anderzijds vervulde het me met grote trots. Ze baden voor een behouden reis terug naar Nederland. Ik moest mijn ogen sluiten terwijl ze voor me zongen en mij vasthielden. Ik had van te voren niet kunnen bedenken dat ik persoonlijk zó betrokken zou raken. Deze ervaring vergeet ik nooit meer.
Toen ik daar was geweest wist ik het zeker: hier wil ik meer mee. Trauma behandelen bij kinderen is mijn focus geworden. Ik vind het onbegrijpelijk dat dingen als seksueel misbruik gebeuren. Maar om daar iets in te kunnen betekenen moet je de realiteit onder ogen zien. De gebeurtenis is onuitwisbaar, maar het leed kan wel draaglijker worden door behandeling van het trauma. Toch zijn daar genoeg mensen, ook kinderen, die het alleen verwerken, zonder therapie. Ik heb me verbaasd over de veerkracht van de mensen in Zuid Afrika. Hoeveel ze aan kunnen. Ze halen de kracht uit hun omgeving. Dat kan niet anders. Ze moeten door.
Ik denk wel dat ik ben veranderd. In mijn contact met kinderen voel ik me misschien meer emotioneel betrokken. Anderzijds kan ik het soort verhalen beter plaatsen en verwerken. Maar bij dit werk zal het altijd zo zijn dat je het soms toch mee naar huis neemt en er minder goed van slaapt.
Ik heb twee families nu. Hier én in Zuid-Afrika. Het contact met Jackie en de CSO’s is heel hecht. Sindi, de veertienjarige dochter van Jackie, is voor mij als een jonger zusje. Als we bellen vragen ze altijd: “When are you coming home?” Het zijn onwijs hartelijke mensen. Als ik hoor dat er weer iemand is overleden zou ik liever daar zijn. Maar dan moet ik het parkeren. En natuurlijk ben ik benieuwd naar hoe het met al die kinderen gaat. We hebben eens een zwaar verwaarloosd meisje van een jaar of zes weggehaald bij een vrouw die haar sloeg. Ze was een paar keer doorverkocht voor een geit, en werd gebruikt als hulp in de huishouding. Ik ben bij allerlei instanties gaan leuren voor een opvangplaats. En onderwijl liep ze als een klein gansje achter mij, ‘papa gans’ aan. Dat voelde een beetje als mijn kind. Ze is naar een kindertehuis gegaan. Ik hoop dat ik haar ooit nog eens terugzie.
Ik ben net begonnen met een nieuwe baan, waarbij ik werk met vluchtelingen en asielzoekers met kinderen die getraumatiseerd zijn. Daarnaast volg ik een post-masteropleiding voor gezondheidspsycholoog. Ik kan niks missen van de opleiding, dus nu niet zomaar twee of drie maanden weg. Maar ik weet zeker dat ik op een dag weer naar Zuid Afrika ga.”
Het project Bobbi Bear bevindt zich in Lower Illovo, vlakbij Durban aan de oostkust van Zuid-Afrika, en werd gestart door Jackie Branfield, een activiste die zich inzet voor de rechten van vrouwen. Zij realiseerde zich dat kindermisbruik om allerlei redenen vaak onbestraft bleef, of zelfs onopgemerkt.
In de afgelopen jaren is in Zuid-Afrika het aantal gevallen van kindermisbruik gestegen met 400%. Dit gebeurt in een gebied waar geschat wordt dat 51% van de mensen tussen 16 en 45 HIV-positief is. De meeste daders van kindermisbruik vallen in deze leeftijdsgroep. De kans dat een kind door misbruik besmet wordt is dus erg groot.
In 2006 ving Bobbi Bear 364 kinderen op, waarvan er 302 waren verkracht. Ze werden begeleid met behulp van de beer, en kregen counseling om hun trauma zo snel mogelijk te verwerken. In alle gevallen werd geprobeerd om besmetting met HIV te voorkomen. Ook werden ze begeleid tijdens het doen van hun aangifte, en voorbereid op hun rechtszaak. Naast dit werk geven de medewerkers van Bobbi Bear presentaties, trainingen en workshops over kindermisbruik, HIV/AIDS en de rechten van kinderen.
Be More is een organisatie die projecten, waaronder Bobbi Bear, steunt in ontwikkelingslanden. Het gaat om kleine projecten, gestart en uitgevoerd door de lokale bevolking, en met een direct zichtbaar resultaat. In 2007 gingen voor Be More 194 vrijwilligers aan de slag bij één van deze projecten in Zuid-Afrika, en kregen 365 mensen te horen dat zij binnen afzienbare tijd als vrijwilliger mochten vertrekken. In 2008 waren dit zo’n 400 vrijwilligers. Be More organiseert regelmatig voorlichtingsdagen.
Meer info: www.be-more.nl/
Smile
juli 8, 2009
Ter herinnering aan een warm mens en een bijzondere leeftijdgenoot: Michael Jackson. Volgens Brooke Shields was dit zijn lievelingslied. Laat het nou net ook een van mijn favorieten zijn!
Music: Smile
Artist: Michael Jackson
Software: Windows Movie Maker
Lyrics:
Smile though your heart is aching
Smile even though its breaking
When there are clouds in the sky, you’ll get by
If you smile with your fear and sorrow
Smile and maybe tomorrow
You’ll find that life is still worthwhile
If you just
Light up your face with gladness
Hide every trace of sadness
Although a tear may be ever so near
That’s the time you must keep on trying
Smile, what’s the use of crying?
You’ll find that life is still worthwhile
If you just
Smile though your heart is aching
Smile even though its breaking
When there are clouds in the sky, you’ll get by
If you smile through your fear and sorrow
Smile and maybe tomorrow
You’ll find that life is still worthwhile
If you just smile
that’s the time you must keep on trying
Smile, what’s the use of crying?
You’ll find that life is still worthwhile
If you just smile
“A day without a laugh is a wasted day.” – Charles Chaplin
Spookrups
juni 4, 2009
Raar beest, die spinselmot. De ene boom vreet hij kaal, de andere laat hij ongemoeid. Spooky.
















